Nieuwe media mogen niet langer uit rechtbank worden geweerd
In dit artikel:
De rechtbank Den Haag heeft op woensdag 13 mei de beperkende accreditatieregel uit de Persrichtlijn 2025 naar de prullenmand verwezen. Daardoor mogen journalisten, vloggers en bloggers die niet tot de reguliere media behoren weer als pers aanwezig zijn bij zittingen in Nederlandse rechtbanken — een recht dat vanaf 1 juni 2025 aanmerkelijk werd ingeperkt.
Tot juni 2025 konden personen die journalistiek werk doen — van YouTubers en bloggers tot medewerkers van landelijke media — onder voorwaarden met laptop en telefoon de rechtszaal in en beeld- of geluidsopnamen maken. Met de Persrichtlijn 2025 stelde de Raad voor de rechtspraak echter dat alleen houders van een NVJ-perskaart of een politieperskaart als pers mochten worden toegelaten. De NVJ gaf die kaarten vooral aan leden die minimaal 75 procent van het minimumloon met journalistiek verdienen of een contract van minstens 16 uur per week hebben; voor de politiekaart golden soortgelijke eisen en een band met een massamedium.
Tegen die regeling stapten de Vereniging van Vrije Journalisten (VVJ), oprichter en uitgever Sander Compagner, en onafhankelijke verslaggevers Djamila le Pair en Rico Brouwer naar de rechter. Le Pair en Brouwer maakten jarenlang videoverslag van zittingen — onder meer rond VoorWaarheid, het Barracuda-proces en Fort Oranje — en werden sinds de nieuwe richtlijn geweerd omdat zij volgens de NVJ onvoldoende aan de inkomenseis voldeden.
De Staat verdedigde de richtlijn met het argument dat ‘journalist’ geen beschermd beroep is en dat zonder duidelijke afbakening uiteindelijk iedereen zich journalist kan noemen, wat tot chaotische openbaarmaking en ongecontroleerde verspreiding van materiaal zou kunnen leiden. De Raad voor de rechtspraak had de invulling van wie professioneel is praktisch geheel gedelegeerd aan de NVJ, aldus de procedure.
De rechtbank oordeelde anders: de huidige regeling schendt artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (vrijheid van meningsuiting en pers). Door de beslissing om toegang tot persfaciliteiten in de praktijk te laten bepalen door de NVJ ontstaat een onevenredige uitsluiting van burgerjournalisten, bloggers en vloggers die eveneens een publieke waakhondfunctie vervullen. De rechter benadrukte het fundamentele karakter van openbaarheid van rechtspleging voor controle op de macht en noemde het extern uitbesteden van selectieproblematisch.
De NVJ reageerde verrast maar hield vol dat zij geen accreditaties toekende; volgens de vereniging was het de Raad die keuzes maakte en zij had slechts benadrukt dat professionele journalisten toegang moeten hebben. De NVJ gaf bovendien aan dat bij beperkte ruimte een voorkeur voor journalisten van media met groter bereik logisch is en waarschuwde dat het schrappen van inkomenseisen tot onwerkbare situaties kan leiden. De VVJ stelt op haar beurt dat lidmaatschap en inkomsten geen juiste maatstaf zijn, en wijst op naleving van journalistieke gedragscodes zoals de Code van Bordeaux.
Gevolg van het vonnis is dat de Raad voor de rechtspraak zijn regels moet herzien zodat ook onafhankelijke verslaggevers weer onder voorwaarden toegang krijgen tot zittingen. De uitspraak legt een spanningsveld bloot tussen het waarborgen van professionele verslaggeving en het openhouden van de rechtszaal voor diverse vormen van journalistiek — een kwestie met directe gevolgen voor de publieke controle op de rechtspraak.