'Nieuwe bewoners van de Javastraat gaan tóch naar de Albert Heijn': waarom kleine winkeltjes in New York geliefder zijn dan in Amsterdam
In dit artikel:
In New York functioneren bodega’s — kleine, vaak 24/7 geopende buurtwinkels — als onmisbare knooppunten van dagelijks leven: in 2022 waren er ongeveer 7.300 van deze door immigranten gerunde zaken. Ze verkopen boodschappen en broodjes, bieden informele kredieten aan klanten die krap zitten en vormen sociale plekken waar eigenaars hun vaste klanten kennen en helpen. Bodega’s spelen ook een rol in de stedelijke cultuur; ze verschijnen in documentaires, boeken, magazinecovers en liedjes van artiesten als A$AP Rocky, Nas en Cardi B. Politieke toneelstukken raken er ook aan: in de afgelopen burgemeesterscampagne vroegen kandidaten naar hun favoriete bodega-sandwich en winnaar Zohran Mamdani wijdde zelfs een zin aan Jemenitische bodega-eigenaren.
De geschiedenis van de bodega weerspiegelt migratiegolven: eind 19e eeuw begonnen Joodse en Italiaanse immigranten delicatessen te runnen; later namen Puerto Ricaanse, Dominicaanse en vervolgens diverse Aziatische en Latijns-Amerikaanse ondernemers die rol over. Sinds circa 2010 is een opvallend deel van de winkels in Jemenitische handen. De term bodega is ontleend aan Spaans/Puerto Ricaanse woordenschat en heeft in New York een eigen culturele lading gekregen — inclusief de beroemde ‘bodegakatten’, waar nu zelfs wetsvoorstellen over circuleren.
Bodega’s zijn niet zonder problemen: stijgende huren bedreigen hun voortbestaan, winkels in arme buurten lopen meer risico op criminaliteit en hebben minder middelen om zich te beschermen, wat in 2018 leidde tot een gezamenlijke belangenorganisatie van winkeliers. Ook vullen ze vaak een lacune die grote supermarktconcerns overslaan: in veel slecht bedeelde wijken zijn ze de enige toegankelijke winkel.
In Nederland is het beeld anders. Socioloog Jan Rath (UvA) signaleert dat gemeenten bij stadsvernieuwing en winkelleefbaarheid sturen op een bepaald kwaliteitsbeeld dat past bij een hogeropgeleide middenklasse — denk koffiebarretjes, yoga en ketens — en dat rommelige, etnisch getinte buurtzaken sneller als problematisch worden gezien. Rath: “In Nederland betekent integratie al snel: aanpassen.” Onderzoek naar de Javastraat liet zien dat nieuwe, hoogopgeleide bewoners de diversiteit waarderen als sfeerdecoratie, maar vaak de echte boodschappen bij grote supermarkten doen.
Connecting Flavors-oprichter Nana Asare noemt de Nederlandse waardering voor kleine immigrantenbedrijven bescheidener dan in New York; voor hem komen toko’s het dichtst in de buurt van bodega’s omdat ze boodschappen en maaltijden combineren en soms een buurtvibe hebben. Voorbeelden in Amsterdam zijn Toko Man Li Ho, Toko Otie en Amarjeet Singh — plekken die volgens Asare zouden mogen worden gevierd zoals New York zijn bodegacultuur viert.
Kortom: bodega’s illustreren hoe stedelijke omgang met migratie en integratie verschilt. New York lijkt etnische concentraties te beschouwen als economische en culturele waarde die tot succes kan leiden; in Amsterdam heerst meer beleidsmatige terughoudendheid en druk tot spreiding en aanpassing. Daarmee beïnvloedt stadsbeleid direct welke kleine buurtzaken overleven, hoe ze gewaardeerd worden en hoe migrantenondernemerschap onderdeel wordt van het stedelijke weefsel.