Nieuw bolwerk voor muurhagedis: nu op eigen kracht verder!
In dit artikel:
Tussen 2024 en 2025 zijn 184 inheemse Maastrichtse muurhagedissen verplaatst van het Frontenpark naar hun vroegere leefgebied op de Sint-Pietersberg. De herintroductie — uitgevoerd door CNME, RAVON en Natuurmonumenten — moest een tweede populatie creëren om risico’s zoals reptielenziekten te spreiden en zo de totale Maastrichtse populatie te versterken.
Historisch hoorde de Sint-Pietersberg tot de leefomgeving van de muurhagedis, maar de soort verdween er na de jaren zestig door mergelwinning in de ENCI-groeve en een koeler klimaat. In 2024–2025 zijn in totaal 65 volwassen, 38 eenjarige en 81 juveniele dieren uitgezet, voornamelijk in de Oehoevallei, waar zonnige kalkwanden met veel scheuren en spleten geschikt habitat bieden.
Om de kans op vestiging te vergroten zijn biotoopmaatregelen uitgevoerd: extra overwinteringsholen zijn geboord, steenhopen aangelegd en opschietende struiken en bomen verwijderd om schaduw weg te nemen. Sinds 2024 wordt de nieuwe populatie intensief gevolgd; de Oehoevallei wordt zeven keer per jaar bezocht en alle waarnemingen worden geregistreerd om ontwikkeling en overleving in kaart te brengen.
In 2025 werden tijdens tellingen maximaal vijftien individuen gezien. Dat lijkt weinig, maar de hoge, onoverzichtelijke kalkwanden, het niet-gelijke dagritme van de dieren en stress en sterfte na verplaatsing maken onderschatting van de echte aantallen mogelijk. Muurhagedissen verkennen ook aangrenzende terreinen; in 2025 zijn echter nog geen dieren buiten de Oehoevallei gemeld. Daarom blijft het oproepen van burgers om waarnemingen via het speciale invoerportaal te melden belangrijk voor verspreidingsonderzoek.
De initiatiefnemers zien met de herintroductie een basis gelegd voor een blijvende populatie op de Sint-Pietersberg. Omdat de muurhagedis als gidssoort fungeert voor rotsmilieus, kan haar terugkeer ook positief duiden op herstel en verbinding van bijbehorende planten- en diersoorten. De uitvoering en haalbaarheidsstudie werden gefinancierd door provincie Limburg, gemeente Maastricht en het Elisabeth Strouven Fonds. Tekst en beeld: CNME / RAVON.