'Niet ver van het Jakhalsdal' hoort niet tot de afrekenliteratuur, maar is licht en levendig
In dit artikel:
De Romeinse traditie van Oostenrijkse schrijvers die hun vaderland fel bekritiseren — van Karl Kraus en Thomas Bernhard tot Elfriede Jelinek — vormt het kader voor het romandebuut van Julia Jost (geboren 1982, Karinthië). Haar in 2024 verschenen boek, oorspronkelijk met een lang Duits titel, is in het Nederlands vertaald door Sarah Hewitt als Niet ver van het Jakhalsdal. Het verhaal speelt zich in 1994 af, binnen enkele uren, in een fictief dal in de Karawanken; de verteller is een elfjarig meisje dat op het punt staat met haar ouders en broers te verhuizen.
Structuur en stijl vallen op: vijftien genummerde hoofdstukken, dikke tekstblokken zonder dialogen, vrijwel onafgebroken zinnen die de binnenwereld en herinneringen van het meisje stroomlijnen. De plot draait om alledaagse maar grijzende episoden uit een klein dorp: vriendschappen (onder meer met Luca, de dochter van Bosnische vluchtelingen), een eerste verliefdheid en de familie die dankzij zakelijke kansen rijker wordt. Centraal staat de dood van Franzi, een klasgenoot die eerder uit Tirol kwam nadat hij in zijn vorige dorp door een pastoor werd uitgebuit. Tijdens een ongeluk waarbij een erfstukmes met een SS-inscriptie in een put valt, belandt Franzi in het water en sterft — het mes wordt zo juist weer boven gebracht.
De brandweerman die Franzi uit het water haalt blijkt de extreemrechtse politicus Gernot Pfandl te zijn, die een jaar later burgemeester wordt. Zijn opkomst levert zakelijk voordeel op voor de vader van het meisje, een vrachtwagenhandelaar; het gezin wordt materieel beter bedeeld en besluit te verhuizen omdat het huis 'onder hun stand' is geraakt door de toegenomen bezittingen. Jost gebruikt zulke ontwikkelingen om de verwevenheid tussen kleinburgerlijk succes, opportunisme en de normalisering van rechts-populistische macht te tonen.
Hoewel de roman scherpe herkenningen oproept aan de traditie van morbus austriacus — de culturele neiging tot bittere afkeer van het eigen land — kiest Jost niet voor een eenzijdige, vernietigende aanval. Haar vertelstem combineert de mythische en hallucinatoire blik van een kind met cartooneske en lichtvoetige elementen, waardoor gruwelijke gebeurtenissen en komische scènes naast elkaar bestaan. Daardoor ontstaat een genuanceerd beeld: kritiek op Oostenrijkse verleden en heden zonder complete verzuring; Jost lijkt meer geïnteresseerd in hoe verbondenheid, ontkenning en hypocrisie in kleine gemeenschappen werken dan in alleen veroordeling.
Als context: het verhaal sluit aan bij literair en maatschappelijk debat over Oostenrijks verleden en de opkomst van rechts in de jaren negentig, en toont hoe zulke historische en politieke verschuivingen het dagelijks leven en gezinssamenstellingen in kleine regio’s kunnen beïnvloeden.