Neurochirurg noemt ziel op wetenschappelijke gronden „geestelijk" en een „schepsel van God"
In dit artikel:
Neurochirurg Michael Egnor (Renaissance School of Medicine, Stony Brook, New York) verdedigt in zijn boek The Immortal Mind (2025) dat mensen een onstoffelijke, onsterfelijke ziel hebben. Hij neemt het op tegen de gangbare materialistische verklaringen in de neurowetenschappen, waarin geestelijke verschijnselen worden gezien als bijproducten van hersenactiviteit.
Egnor bespreekt drie hoofdvisies die nu populair zijn. De identiteitstheorie stelt dat mentale toestanden gewoon hersentoestanden zijn; volgens voorstanders zouden gevoelens en gedachten direct te koppelen zijn aan neuronale activiteit. Het computerfunctionalisme beschouwt het brein als hardware en de geest als software, en vormt de filosofische basis voor transhumanistische ideeën over het uploaden van bewustzijn. Een derde stroming, het eliminatieve materialisme, ontkent zelfs het bestaan van een onafhankelijke geest en ziet bewustzijn als een illusie.
Hij keert zich tegen al deze materialistische benaderingen. Egnor betoogt dat logica en bewust denken niet uit fysieke processen volgen en wijst op het vermeende gebrek aan overlap tussen natuurwetten en de wetten van de logica. Computers en rekenmachines, zegt hij, voeren wel berekeningen uit maar begrijpen niet; hetzelfde onderscheid ziet hij tussen hersenprocessen en echte abstracte gedachtevorming. Ook noemt hij het eliminativisme zelfgenoegzaam en zelfweerleggend: een illusie veronderstelt bewustzijn, dus het argument valt terug op het bestaan van bewustzijn.
Als empirisch steunpunt voert Egnor onder meer het verschijnsel van terminale helderheid (terminal lucidity) aan: stervenden die plotseling helder geheugen en begrip tonen, wat hij interpreteert als bewijs dat bewustzijn niet in het brein gelokaliseerd is maar een niet-fysieke ziel heeft. Hij stelt dat er geen fysiek centrum van bewustzijn is en dat de ziel geen ruimte inneemt; lichaam en ziel zouden wel in tweerichtingsverkeer staan: de ziel werkt door het lichaam en leidt het lichaam.
Voor Egnor volgt hieruit ook een theologische conclusie: de menselijke geest is afkomstig van een goddelijke Geest. Bewuste wezens ontstaan volgens hem alleen uit andere bewuste wezens; ouders leveren de biologische voorwaarden, maar God schept rechtstreeks de onsterfelijke ziel van het kind. Die overtuiging maakt volgens Egnor het bestaan, de bestemming en de spirituele nood van de mens cruciaal.
Het standpunt van Egnor is expliciet polemisch richting materialisme en heeft tot openbare debatten geleid — hij discussieerde recentelijk met atheïstisch criticus Michael Shermer — maar blijft controversieel binnen de wetenschappelijke gemeenschap, waar veel onderzoekers vasthouden aan natuurlijke verklaringen voor bewustzijn. Zijn betoog combineert filosofische argumenten, klinische observaties en theologische uitgangspunten om voor een immaterieel, eeuwig leven na de dood te pleiten.