Net als in relaties toont de liefde voor de winter zich pas zodra die op de proef wordt gesteld | column Wieberen Elverdink
In dit artikel:
Wieberen Elverdink beschrijft in een persoonlijke observatie zijn worsteling tussen wintertrots en de verleiding van de lente. Na een gesprek met de Antwerpse schrijver Jan Hertoghs — die een boek over zijn liefde voor de winter schreef en zegt: „Hou je van de winter, dan hoor je bij de idealisten. Dan verdedig je de underdog” — probeert Elverdink zelf een ‘winterkind’ te worden en de minder fotogenieke kanten van het seizoen te omarmen: de slijtage, de prutdagen en het grauwe weer.
Aanvankelijk lukt dat; hij lacht om natte sneeuw en harde korsten op de oprit. Maar wanneer zijn vrouw bij een val op een ongestrooide fietsstrook een hersenschudding oploopt, trekt hij de grens: genoeg geprobeerd, tijd voor voorjaar. Op een zonnige dag zoekt hij naar tekenen van de lente in zijn middelgrote dorp in het Noorden — geen krokussen, geen merels — tot een buurmeisje op skeelers voorbijrolt met stoepkrijt in haar hand. Haar slingerende, simpele blauwe lijntje op de klinkers fungeert als symbolische scheidslijn: het einde van de winter.
Elverdink ziet in kinderen een onbewuste timing voor het seizoen: zodra handschoenen overbodig zijn en de stoep droog, pakken ze de krijtjes. Die kleine daad, zegt hij, markeert een natuurlijke omslagpunt en overtuigt hem volledig van de komst van de lente.