Negatieve rendementen voor pensioenfondsen in 2025, toch staan ze er op papier goed voor: hoe zit dat?
In dit artikel:
Pensioenfondsen in Nederland kenden een teleurstellend beleggingsjaar in 2025. Grote fondsen noteerden negatieve rendementen: ABP -1,6%, PME -3%, PFZW en bpfBOUW beide -3,9% en PMT -5,9%. Dat staat in contrast met veel particuliere beleggers, voor wie 2025 gunstig was vanwege goede aandelenrendementen.
De verklaring ligt in de samenstelling van de portefeuilles en in de rentesprong van het jaar. Pensioenfondsen spreiden risico’s en beleggen fors in vastrentende waarden (zoals obligaties en hypotheken) en in vastgoed en private equity; ongeveer twee derde van ABP’s vermogen ligt in niet-aandelencategorieën. Deze vastrentende beleggingen leden zwaar onder de stijgende rente: wanneer de rente omhooggaat, daalt de marktwaarde van obligaties aanzienlijk, waardoor de vermogens van fondsen met miljarden krompen.
Tegelijkertijd daalden door die hogere rente ook de contante waarde van toekomstige pensioenverplichtingen. Omdat pensioenuitkeringen naar de toekomst worden terugverdiend met een rente-opslag, is er bij een hogere rente nu minder kapitaal nodig om later uitkeringen te kunnen betalen. Daardoor steeg in 2025 de dekkingsgraad van veel fondsen flink, ondanks lagere beleggingsresultaten.
Die hogere dekkingsgraad heeft concrete gevolgen voor gepensioneerden: sommige fondsen kunnen uitkeringen verhogen. PFZW kondigde bijvoorbeeld een verhoging van 12% aan. Onder het nieuwe pensioensysteem wordt de hoogte van toekomstige uitkeringen mede bepaald op basis van de dekkingsgraad, waardoor renteschommelingen zowel vermogenswaarden als pensioenuitkeringen beïnvloeden. Fundamenteel laat 2025 zien waarom fondsen blijven spreiden: ze ruilen hogere potentiële koerswinst voor stabiliteit in uitkeringen.