Nee, er is geen Jetten-bonus

dinsdag, 7 april 2026 (17:23) - Joop

In dit artikel:

D66’s plaatselijke opmars die in Den Haag als herstel van Rob Jetten werd gepresenteerd, blijkt bij nadere blik vooral een marketingverhaal zonder substantiële politieke doorbraak. Uit de recente gemeenteraadsverkiezingen komt D66 weinig veranderd uit de bus: landelijk ongeveer één procent winst — meer ruis dan golf — en op veel plekken geen beslissende extra invloed.

In grote steden levert de score weinig politieke verschuivingen op. Amsterdam en Utrecht winnen elk een zetel, maar de verhoudingen en coalities veranderen nauwelijks. Den Haag laat zien hoe zetels zonder samenwerking machtloos kunnen zijn: D66 blijft redelijk stabiel maar staat buiten de echte machtsposities omdat andere partijen elkaar uitsluiten. Rotterdam biedt enige hoop, maar vooral doordat concurrenten elkaar uitsluiten; daar is succes eerder het gevolg van omstandigheden dan van een sterke prestatie.

Buiten de steden is het beeld divers en vaak teleurstellend voor D66. In Overbetuwe groeit de partij maar blijft buiten het college; in Ede verandert er weinig; Wageningen behaalt twee extra zetels maar moet nog afwachten of die winst leidt tot bestuurlijke ruimte; Arnhem verliest een zetel maar blijft politiek relevant. Die versplinterde uitkomsten laten zich moeilijk in één verhaal vangen: winst, verlies of stabiliteit zeggen op zichzelf weinig zolang coalitiekeuzes bepalend blijven. Lokale gesprekken blijken soms meer waard dan zetelgetallen.

Het samengaan van GroenLinks en PvdA — het zogenoemde “monsterverbond” — levert ook geen bonus op; samen verliezen ze stemmen. Evenmin is er sprake van een structureel “Jetten-effect”: de eerdere spektakelachtige sprong van D66 bij de Tweede Kamer (van 9 naar 26 zetels) was mede het resultaat van unieke omstandigheden en is niet eenvoudig te herhalen op lokaal niveau.

Belangrijker dan deze individuele uitkomsten is de ruimere politieke ontwikkeling: buiten de Randstad verschuift het krachtenveld vaker naar rechts-conservatieve netwerken, veelal via lokale partijen zonder landelijke labels. Die dynamiek heeft gevolgen voor de Provinciale Statenverkiezingen en daarmee voor de samenstelling van de Eerste Kamer. Voor het kabinet betekent dat minder bewegingsruimte in dossiers als stikstof, woningbouw en sociale zekerheid, omdat een comfortabele meerderheid in de senaat verder uit zicht raakt.

Kort gezegd: er is geen landelijk momentum dat lokaal breed doorwerkt. Wat wél duidelijk wordt, is eengaande fragmentatie en polarisatie in plaats van een verschuiving naar het midden. Coalitiegesprekken en lokale machtsverhoudingen blijven doorslaggevend; nationale slogans veranderen daar weinig aan.