Nederlands met vakantie
In dit artikel:
Basaltwoorden zijn samengestelde Nederlandse woorden waarvan de twee delen ogenschijnlijk tegenovergestelde betekenissen hebben, terwijl het totale woord gewoon zijn gebruikelijke betekenis behoudt. De term bedacht Battus — het pseudoniem van Hugo Brandt Corstius — in zijn boek Opperlandse taal- en letterkunde (1981). De naam speelt slim in op het woord zelf: basalt lijkt op bas + alt, twee tegengestelde toonhoogten, en past daarmee goed bij het fenomeen.
Battus verdeelde deze basaltwoorden in tien categorieën. In de rubriek “De Top” plaatste hij woorden als horen en meermin; andere groepen bevatten paren die hun basaltkarakter behouden als je de delen omdraait, zoals zoetzuur/zuurzoet en eenieder/iedereen. De categorie curiosa levert de meest speelse vondsten: de naam Anita (lees: a, niet a), maar ook voorbeelden als zeemeermin (zee‑meer / meer‑min) en het verwarrende stopgaren (stop, ga, ren).
Het interessante aan basaltwoorden is dat ze onbedoelde woordspelletjes bieden voor wie langer kijkt: de afzonderlijke morfeembetekenissen lijken elkaar te dwarsbomen, maar samen werken ze gewoon. Voor Battus past dit binnen zijn Opperlands‑idee: Nederlands los van strikt nut, een taal die wordt onderzocht als kunst, spel of muziek, waar conventies juist uitnodigen tot creatieve afwijking. Basaltwoorden zijn zo kleine ontdekkingen die taal verrassend en plezierig maken.