Nederland krijgt Franse Barracuda-onderzeeboten, maar zonder Amerikaanse Tomahawks
In dit artikel:
Na ruim dertig jaar dienst is de eerste Nederlandse Walrusklasse-onderzeeboot, Zr. Ms. Walrus, in 2023 uit de vaart genomen en wordt zij gebruikt voor onderdelen om de overige drie boten – Zr. Ms. Zeeleeuw (1990), Zr. Ms. Dolfijn (1993) en Zr. Ms. Bruinvis (1994) – operationeel te houden tot 2034. Vanaf dat jaar moeten vier nieuwe onderzeeboten, de Orka-klasse, worden geleverd door de Franse scheepswerf Naval, via een in 2024 gesloten contract. De eerste nieuwe boot, de ‘Orka’, wordt binnen tien jaar verwacht, gevolgd door de ‘Zwaardvis’, ‘Barracuda’ en ‘Tijgerhaai’.
Er bestaat echter onrust binnen de marine over het naderende verlies van marinecapaciteit, omdat een tweede huidige onderzeeboot binnenkort ook uit dienst gaat. Zolang er niet tijdig nieuwe boten zijn, dreigt een ‘capability gap’ waarbij Nederland tijdelijk geen onderzeeboten inzetbaar heeft. Continuïteit in het onderhoud en de bediening is cruciaal, vanwege de specialistische kennis die nodig is voor effectieve inzet, ook binnen NAVO-verband.
De Walrusklasse onderscheidt zich door hun inzetbaarheid in ondiepe, vijandelijke wateren (‘bruin water’), waar grotere kernonderzeeboten minder effectief zijn. Ze zijn wereldwijd inzetbaar, van Arctische tot tropische wateren, en dienen onder meer als stealth-spionageplatforms en om speciale troepen covert aan land te zetten. Bewapend met Mk-48 torpedo’s bieden deze boten een krachtige aanvalsmogelijkheid tegen vijandelijke schepen.
Een belangrijke teleurstelling is de afwijzing van de Amerikaanse Tomahawk kruisraketten voor zowel de huidige als de nieuwe boten. Hoewel fregatten die raketten wel krijgen, blijft inzet vanaf de onderzeeboten weg. Dit komt door een combinatie van politieke belangen en een gebrek aan medewerking van Amerikaanse en Britse partners om deze technologie aan Frankrijk en Nederland te leveren. In plaats daarvan wordt nu gekozen voor het Europese ‘Joint Strike Missile’-project met Noorwegen en Spanje, wat gezien wordt als een risicovolle en langdurige ontwikkeling.
De aanbesteding aan het Franse Naval leverde politieke commotie op, mede door het verwerpen van Nederlandse en Duitse voorstellen. Naval bood de laagste prijs, wat doorslaggevend bleek, maar leverde spanningen op rond nationale industriebelangen, vooral bij Damen Shipyards dat buiten de bouw viel maar wel als belangrijke partner werd aangewezen voor onderhoud en andere scheepsbouwactiviteiten. Juridische klachten van concurrent TKMS en politieke verdeeldheid tussen partijen zoals VVD, PVV, BBB en GroenLinks-PvdA maakten het proces gecompliceerd. Uiteindelijk werd de deal in een smalle meerderheid toch goedgekeurd.
Het Franse bedrijf Naval bouwt eigen kernonderzeeboten, maar de Nederlandse variant van de Orka-klasse krijgt diesel-elektrische voortstuwing, wat een ingrijpend ander ontwerp vereist. De details daarvan zijn nog grotendeels geheim. Ondanks het enthousiasme rond het tekenmoment van het contract en beginnend werk in Cherbourg, is de voortgang van de bouw na negen maanden relatief stil. Wel zijn er intentieverklaringen getekend tussen Naval en Nederlandse maritieme bedrijven zoals Royal IHC.
Strategisch valt op dat de Nederlandse marine steeds nauwer geïntegreerd zal worden met de Franse marine, wat past binnen het bredere Europese veiligheids- en defensiebeleid en minder afhankelijkheid van de VS beoogt. Deze samenwerking werd in vertrouwelijke documenten als ‘strategisch’ bestempeld en ligt in lijn met EU- en NAVO-doelstellingen om de militaire samenwerking binnen Europa te versterken.
Kortom, Nederland bereidt zich voor op vernieuwing van zijn onderzeeboten, maar staat voor uitdagingen in capaciteitsbehoud, bewapening en industriepolitiek. De Franse onderzeebotendeal symboliseert een stap in richting meer Europese defensiesamenwerking, maar ook de spanningen die daarmee gepaard gaan. De komende jaren zijn cruciaal voor het behoud van Nederlandse maritieme onderzeemacht en strategische autonomie.