Nederland een geëmancipeerd land? 'Totaal niet, we houden onszelf voor de gek'
In dit artikel:
Lisa Loeb betoogt in haar nieuwe boek Fopfeminisme dat Nederland flink achterloopt op het gebied van vrouwenemancipatie, ondanks het algemene zelfbeeld dat gelijkheid al is bereikt. Uit recente cijfers blijkt dat 40% van de Nederlandse vrouwen niet financieel onafhankelijk is, de gemiddelde loonkloof 10,5% bedraagt en Nederland de op één na grootste pensioenkloof van Europa heeft. Op financiële gelijkheid staat ons land op plek 26 van de 27 EU-lidstaten; alleen Oostenrijk scoort slechter. Wereldwijd zakte Nederland vorig jaar van plek 28 naar 43 op de ranglijst voor gendergelijkheid — zelfs achter de Verenigde Staten tijdens de Trump-periode — maar dat leidde nauwelijks tot publieke verontwaardiging of politiek debat.
Loeb begon het boek "vanuit frustratie" en legt uit dat de kloof tussen zelfbeeld en realiteit niet toevallig is. Historische en beleidskeuzes hebben ongelijkheid gestructureerd. In de middeleeuwen en de Gouden Eeuw genoten vrouwen in Nederland relatief veel economische vrijheden, maar die rechten werden door de Napoleontische wetgeving teruggedraaid: vrouwen werden handelingsonbekwaam en juridisch ondergeschikt aan mannen. Pas in 1956 viel die handelingsonbekwaamheid weg en tot 1971 golden wettelijke gehoorzaamheidsregels — latere hervormingen liepen in Nederland achter op andere landen.
Ook recente beleidskeuzes hebben de scheidslijnen verstevigd. Het Akkoord van Wassenaar (1982) maakte werk voor vrouwen makkelijker, maar traditiegetrouw werd deeltijdarbeid als vrouwelijke norm verankerd in plaats van deeltijd voor iedereen gebruikelijk te maken. Pas in 2023 werd de laatste fiscale prikkel geschrapt die vrouwen aanmoedigde in deeltijd te blijven. Sociaal-economisch gedrag volgt de prikkels: vrouwen met kinderen zijn de afgelopen twintig jaar gemiddeld 15 uur per week meer gaan werken; mannen zijn in die periode slechts 24 minuten per week meer gaan zorgen. Moeders doen nog altijd substantieel meer huishoud- en zorgtaken (35,6 uur versus 20,4 uur voor vaders). Daarnaast treedt er een 'babyboete' op: het inkomen van vrouwen daalt gemiddeld 35% na de geboorte van het eerste kind, wat deeltijdbanen en zorgtaken in de hand werkt.
Loeb hekelt drie mythes die ongelijkheid in stand houden: de mythe van vrije keuze (keuzes zijn ingebed in een ongelijke context), van natuurlijke verschillen en van meritocratie (hard werken compenseert structurele barrières). Ze wijst ook op institutionele tekortkomingen: dure kinderopvang (één van de duurste ter wereld), kort vaderschapsverlof en het ontbreken van concrete doelstellingen bij de staatssecretaris voor emancipatie. Zonder SMART-doelen en politiek leiderschap blijft verandering uit.
Haar oplossing is duidelijk: systemische ingrepen door de overheid. Loeb pleit voor betaalbare of gratis kinderopvang, betere regelingen en prikkels om betaald werk voor vrouwen en zorgtaken voor mannen aantrekkelijker te maken, het benoemen van een minister voor gendergelijkheid en het vaststellen van concrete, meetbare targets om loonkloof, arbeidsparticipatie en zorgverdeling te veranderen. Haar centrale stelling: de overheid heeft historisch bijgedragen aan de ongelijkheid en moet nu met beleidsinstrumenten het systeem repareren.
Fopfeminisme confronteert Nederland met cijfers en geschiedenis om te laten zien dat gelijkheid geen vanzelfsprekendheid is, maar het resultaat van politieke keuzes die actief gestalte moeten krijgen.