Nederland blijft de dossiers van burgerslachtoffers van het bombardement in Hawija negeren

maandag, 13 april 2026 (22:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

In de nacht van 2 op 3 juni 2015 bombardeerde een Nederlandse F‑16 een voormalige bommenfabriek van IS op het industrieterrein van Hawija (Noord‑Irak). Volgens Amerikaanse legergegevens kwamen bij de aanval minstens 85 burgers om het leven; het bombardement was de op een na dodelijkste actie van de internationale missie tegen IS in Irak en Syrië. Meer dan tien jaar later weigert het ministerie van Defensie individuele schadevergoeding uit te keren en stelt het dat het onmogelijk zou zijn te achterhalen wie precies schade of verlies heeft geleden. Onderzoek ter plaatse toont echter aan dat dat wél kan.

Wat gebeurde en wat werd eerder onthuld
In 2019 onthulden NRC en NOS dat een Nederlands gevechtsvliegtuig het bombardement uitvoerde en dat toenmalig minister Jeanine Hennis op de hoogte was van mogelijke burgerslachtoffers zonder de Tweede Kamer volledig te informeren. In januari 2025 bracht de commissie‑Sorgdrager onder leiding van oud‑minister Winnie Sorgdrager een scherp rapport uit: Nederland had met gebrekkige inlichtingen een bewust risico genomen waardoor burgerslachtoffers vielen, en het kabinet had de Kamer herhaaldelijk onvolledig geïnformeerd. Desondanks bleef de praktijk rond individuele compensatie lang uit.

Standpunt van Defensie en politieke ontwikkeling
Opeenvolgende ministers hielden vol dat Nederland niet aansprakelijk is omdat de fabriek een legitiem militair doel was. In mei 2025 maakte toenmalig minister Ruben Brekelmans een bezoek aan Hawija en bood excuses aan, maar ontwijkt hij het begrip aansprakelijkheid en brengt hij praktische bezwaren naar voren: volgens hem is het onmogelijk tien jaar later per persoon vast te stellen welke schade direct voortkomt uit die aanval. Defensie richtte zich in plaats daarvan op ‘vrijwillige’ gemeenschapsprojecten: in 2021 betaalde het ministerie ruim vier miljoen euro via IOM en UNDP voor herstelprojecten, en na het Sorgdrager‑rapport kondigde Brekelmans een extra toezegging van tien miljoen euro aan voor de gemeenschap. Lokale reacties zijn kritisch: veel bewoners en de burgemeester vinden dat die projecten de individuele noden niet bereiken, en financiële verantwoording over besteding is zwak of afwezig.

Onderzoek ter plaatse en beschikbare dossiers
Journalisten en lokale organisaties vinden het onjuist dat identificatie onmogelijk zou zijn. Iraakse ngo’s en onderzoekers — onder wie de stichting Ashor, de Universiteit Utrecht en de Nederlandse ngo Pax — hebben jaren veldwerk gedaan en dossiers aangelegd. Ashor heeft naar eigen zeggen meer dan driehonderd slachtoffers geregistreerd met overlijdensaktes, medische verslagen en eigendomspapieren; onderzoekers boden deze informatie herhaaldelijk aan de Nederlandse ambassade en Defensie aan, maar kregen volgens hen geen vervolgactie. Ook het Iraakse compensatiekantoor in Kirkuk onderhoudt claimdossiers en behandelt verzoeken van burgers (zowel slachtoffers van terreur als van militaire vergissingen), inclusief toetsing op mogelijke IS‑banden. Dat kantoor geeft aan dat het wél met bewijzen kan werken, maar dat slachtoffers uit Hawija vaak vastlopen door lange procedures en argwaan.

Getuigen en menselijke impact
In Hawija spreken nabestaanden van dagelijks leed en materiële verwoesting: huizen en bedrijven die nooit herbouwd zijn, medische kosten en langdurige trauma’s. Verhalen van mensen zoals Adnan Saleh en Abdallah Rashid illustreren hoe familieleden abrupt werden gedood of zwaar gewond; overlijdensaktes en medische rapporten uit lokale archieven zitten in de lokale databases. Veel slachtoffers vinden excuses van Nederland onvoldoende zolang individuele hulp uitblijft.

Rechtszaak en precedent
Advocaat Liesbeth Zegveld voert namens 25 slachtoffers een zaak tegen de staat. Zij betoogt dat de fabriek weliswaar een militair doel was, maar dat Nederland het risico op burgerslachtoffers had kunnen en moeten beperken omdat het bekend was dat mensen in en rond het doel woonden en werkten. Er bestaan precedenten waarbij Nederland wel (ex gratia) betalingen deed zonder aansprakelijkheid te erkennen — onder meer in Uruzgan (Afghanistan) en bij eerdere vergissingen in Irak (Mosul). Recentere zaken tonen dat Defensie wél bereid is af en toe individuele vergoedingen te regelen, wat de vraag oproept waarom Hawija anders wordt behandeld.

Analyse en bredere context
Conflictwetenschappers en betrokken onderzoekers wijzen op veranderingen in militaire werkwijzen: nadat grondtroepen terugtrokken, nam het aantal luchtaanvallen toe en verdwenen deels de teams die eerder burgerslachtoffers registreerden en afhandelden. De vroegere uitbetalingstraditie (deel van hearts‑and‑minds‑strategie) is daardoor minder vanzelfsprekend geworden. Critici stellen dat steun aan herstelprojecten door grote ngo’s weinig bij de slachtoffers ter plaatse brengt en dat structurele erkenning en individuele compensatie politieke en morele betekenis hebben, los van juridische aansprakelijkheid.

Knelpunten en verantwoordelijkheden
De kern van het conflict tussen Den Haag en Hawija is praktisch en politiek: de Nederlandse staat zegt de benodigde bewijzen niet beschikbaar te hebben of juridisch ontoereikend te achten; lokale partijen en Iraakse instanties laten juist zien dat veel relevante documenten en lijsten wél bestaan. Ook bestaat wantrouwen naar wie wordt gecompenseerd — Iraakse autoriteiten toetsen claims op banden met IS — en frustratie over de gebrekkige dialoog: lokale vertegenwoordigers zeggen dat Nederland nooit rechtstreeks contact opnam met de Iraakse compensatiekantoren of met organisaties die al dossiers beheerden.

Slotbeeld
Tien jaar na het bombardement ligt in Hawija nog steeds visible verwoesting en emotionele schade; gemeenschapsprojecten zijn voor velen onvoldoende, en individuele nabestaanden zoeken erkenning en vergoeding. De zaak stelt fundamentele vragen over hoe westerse militaire fouten worden erkend en hersteld in een tijdperk van verregaande luchtaanvallen en afwezige grondtroepen — en of Nederland bereid is de administratieve stappen te zetten die lokale bewijzen benutten om slachtoffers daadwerkelijk te compenseren.