Neder-Betuwe voert vloekverbod in, hoewel de rechter de boete zal vernietigen
In dit artikel:
De gemeente Neder-Betuwe neemt in het nieuwe coalitieakkoord met VVD en CDA een verbod op vloeken op in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), op aandringen van de lokale SGP-fractie onder leiding van Rob Scheurwater. De maatregel moet volgens de SGP de waarde van Gods naam beschermen en het gesprek over taalverruwing en fatsoenlijke omgangsvormen stimuleren; als voorbeeld wordt genoemd dat het kan helpen bij voorlichtingen op scholen om vloeken minder vrijblijvend te maken. Scheurwater erkent dat het opleggen van sancties juridisch kwetsbaar is: een boete zou waarschijnlijk geen standhouden voor de rechter.
Juridisch gezien is het vloekverbod inderdaad omstreden. Hansko Broeksteeg, hoogleraar staatsrecht aan de Radboud Universiteit, wijst erop dat vloeken onder de vrijheid van meningsuiting valt (artikel 7 Grondwet) en dat alleen rijksoverheid en parlement beperkingen mogen opleggen. In theorie kan een buitengewoon opsporingsambtenaar wel boetes uitdelen, maar dergelijke straffen worden bij beroep door de rechter vaak van tafel geveegd; de rijksoverheid kan ook besluiten gemeentelijke regels te vernietigen. Historische voorbeelden tonen de praktische beperkingen: Elburg en Ermelo zagen hun lokale verboden in het verleden door het kabinet ongedaan gemaakt, Papendrecht schafte het verbod in 2018 af wegens handhaafbaarheidsproblemen, terwijl de fusiegemeente Molenlanden het juist weer invoerde.
Neder-Betuwe wordt met dit besluit naar verwachting de vijftiende gemeente met een vloekverbod, naast plaatsen als Barneveld, Staphorst en Urk. In de praktijk wordt echter zelden tot nooit daadwerkelijk beboet; de laatste bekende boete voor godslastering dateert van 1904. Daarmee blijft het verbod vooral symbolisch: het moet normstellend werken en als beleidsinstrument dienen om normen voor omgangstaal te benadrukken, niet als effectief handhavingsmiddel. De gemeente stelt dat invoering zorgvuldige afweging vereist en benadrukt terughoudendheid bij regels die mogelijk door de rechter zouden worden vernietigd.