Natuurmonumenten ziet natuurherstel, boeren zien gekunstel: 'Waarom moeten ze dit overhoop halen?'
In dit artikel:
In Bodegraven-Noord wordt een groot veenweidegebied heringericht als natuur- en verbindingszone tussen de Nieuwkoopse en Reeuwijkse Plassen. De provincie Zuid-Holland en Natuurmonumenten willen er onder meer leefgebied maken voor de noordse woelmuis en de otter. Op ongeveer een kwart van het gebied moet blauwgrasland ontstaan, een zeldzaam en soortenrijk landschap van natte, voedselarme grond.
Voor de aanleg wordt op verschillende plaatsen tot ongeveer 40 centimeter veen afgegraven. Ook komt er een nieuw watersysteem met onder meer damwanden, een waterinlaat en beheerwegen. De werkzaamheden begonnen dit voorjaar en verstoren voorlopig het open poldergebied, dat tot de grootste aaneengesloten veenweiden van West-Nederland behoort. Het gebied is nu al belangrijk voor broedende weidevogels zoals grutto’s en tureluurs.
De ingreep heeft de verhouding tussen boeren en natuurbeheerder op scherp gezet. Twintig agrariërs maakten bezwaar tegen de plannen, maar werden door de Raad van State in het ongelijk gesteld. Boeren vrezen dat waardevol weidevogelgrasland wordt vervangen door grond waarop hun vee niet kan grazen. Blauwgrasland is te nat en te voedselarm voor reguliere landbouw; het wordt doorgaans slechts eenmaal per jaar gemaaid en beheerd tegen een vergoeding.
Kees van Veldhuizen, een 79-jarige oud-melkveehouder die al zijn hele leven in de Meijepolder woont, vindt de ingreep onnodig en vreest schade aan het bestaande bodem- en waterleven. Ook melkveehouder Hugo Spruit, die eigenaar is van zijn eigen grond en die niet voor natuur wordt bestemd, maakte bezwaar. Hij is bang dat de komst van schrale natuur in de omgeving tot strengere stikstofregels voor zijn bedrijf kan leiden. Beide boeren zetten bovendien vraagtekens bij de vraag of het gewenste blauwgrasland op deze plek werkelijk zal aanslaan. Volgens hen is de afgegraven bodem mogelijk te zuur.
Natuurmonumenten verwijst naar de Bovenlanden, enkele kilometers verderop, waar tien jaar geleden succesvol blauwgrasland is ontwikkeld. In dat gebied bleef ander grasland geschikt voor beweiding en stabiliseerde het aantal weidevogels na de herinrichting. Ecoloog Friso van der Zee van Wageningen University & Research noemt blauwgrasland van grote betekenis voor de biodiversiteit. De zeldzame planten trekken insecten aan en dragen zo indirect ook bij aan het voedsel voor jonge vogels. Volgens hem is het project kansrijk als het landschap er vroeger inderdaad voorkwam, al is lokaal onderzoek daarvoor bepalend.
De discussie gaat niet alleen over de ecologische doelen, maar ook over de manier waarop die worden bereikt. De boeren ergeren zich aan de inzet van zware machines, lange rijen rijplaten en het gebruik van kunststof, staal, beton en gebroken puin in een gebied dat zij als kwetsbaar beschouwen. Zij vermoeden daarnaast dat hogere overheidssubsidies voor afgeplagde grond een rol spelen. Boswachter Juriaan van Leeuwen erkent dat de beheervergoeding voor blauwgrasland hoger ligt, maar zegt dat Natuurmonumenten voor dit type natuur ook beheer moet betalen, terwijl weidevogelgrasland pachtinkomsten oplevert. Volgens hem is er financieel geen duidelijke winst.
Een extra conflict ontstond vlak voor het broedseizoen. In opdracht van de uitvoerders werden honden ingezet om weidevogels van ongeveer dertig hectare weg te houden, zodat de werkzaamheden konden doorgaan. Na protest van boeren en publiciteit in agrarische media stopte de provincie daarmee en werd het werk tijdelijk stilgelegd. De herinrichting wordt inmiddels perceel voor perceel hervat. Een ecoloog controleert vooraf of nesten en jonge vogels voldoende bescherming krijgen.
Monique Verweij van Veenweiden Gouwe Wiericke, de organisatie die namens de provincie de werkzaamheden uitvoert, zegt dat doorgaan tijdens het broedseizoen nodig was om het gebied vóór het volgende seizoen af te krijgen. Uitstel zou bovendien betekenen dat boeren de grond later weer kunnen pachten. Door de onderbreking wordt die planning niet gehaald. Verweij stelt verder dat het gebruikte puin aan de normen voldoet, dat rijplaten juist bodemschade beperken en dat het nieuwe watersysteem noodzakelijk is om het gebied voldoende nat te houden.
Het conflict past in een bredere discussie over de vraag hoeveel maakbaarheid natuurbeheer mag hebben. Blauwgrasland is in Nederland grotendeels verdwenen door landbouwintensivering; er resteert nog ongeveer 30 hectare. Van der Zee vindt menselijke ingrepen noodzakelijk om zulke leefgebieden en bijbehorende soorten te behouden. Hoogleraar Hens Runhaar ziet vooral een gebrek aan tussenoplossingen waarin landbouw en natuur meer worden gecombineerd. Volgens hem zoeken boeren en natuurorganisaties elkaar inmiddels vaker op, maar worden beheerders nog steeds beloond voor maximale natuurkwaliteit, wat lokaal kan botsen met agrarische belangen.
Bodegraven-Noord is sinds de jaren negentig aangewezen als toekomstige natuur. Natuurmonumenten verwierf er geleidelijk 290 hectare, terwijl boeren de grond al die tijd konden blijven pachten. Ondanks een vermindering van het aantal hectares dat wordt afgegraven, blijft het wantrouwen groot. Voor de betrokken boeren staat niet alleen de landbouwkundige waarde van het gebied op het spel, maar ook de vraag of bestaande natuur wordt opgeofferd voor een historisch landschap dat met ingrijpende maatregelen moet worden teruggebracht.
Vandaag Inside: Johan Derksen: 'Die man kan bij mij nooit meer wat goed doen!'