Na weken van protest en duizenden doden: hoe moet het nu verder met Iran? Donya Ahmadi (RUG): 'Iraniërs rouwen en zijn in shock'
In dit artikel:
Donya Ahmadi, een 36-jarige van Iraanse afkomst en universitair docent Internationale Betrekkingen aan de Rijksuniversiteit Groningen, volgt sinds eind december met grote betrokkenheid de bloedige protesten in haar geboorteland. Wat begon als onvrede over de economie escaleerde snel tot een brede beweging tegen het regime, maar door zware repressie lijken demonstraties op straat voorlopig grotendeels te zijn gesmoord.
Door grootschalige internet- en telefoonblokkades is het moeilijk vast te stellen wat er nú gebeurt; Ahmadi zelf heeft nog geen contact met familieleden in Iran. Mensen rouwen en leven in shock, zegt ze, naar aanleiding van beelden en meldingen van massale geweldsgebruik en rijen met lijkzakken. De Iraanse mensenrechtenorganisatie HRANA rapporteert minstens 4.500 doden, ruim 5.800 ernstig gewonden en meer dan 26.000 arrestaties sinds het begin van de protesten — cijfers die mogelijk veel hoger liggen.
Ahmadi benadrukt dat het huidige stilvallen van demonstraties niet het einde van woede betekent, maar het resultaat is van een doelmatige en systematische onderdrukkingsstrategie van de staat. Volgens haar heeft het regime het neerslaan van protesten geperfectioneerd: na elke golf volgen massa-arrestaties, foltering, geforceerde bekentenissen op staats-tv en vervolgens vaak executies. Iran blijft een van de landen met de meeste dodenstraf; HRANA telde alleen al in 2025 minstens 2.063 executies.
Het ontbreken van sterke, onafhankelijke maatschappelijke organisaties — vakbonden, politieke partijen — maakt langdurig verzet extra kwetsbaar en versnelt het terugtrekken van demonstranten. Daarnaast schaadt internationale retoriek van sommige westerse leiders volgens Ahmadi de beweging: beloften van hulp of beschuldigingen van buitenlandse inmenging geven het regime een convenient narratief om protesten als extern gestuurd te bestempelen en hard op te treden.
Ahmadi verwerpt militair ingrijpen van buitenaf en waarschuwt tegen het zoeken naar een externe ‘redder’. Als voorbeeld noemt ze Reza Pahlavi, die vanuit de Verenigde Staten door sommigen als alternatief wordt gepresenteerd; volgens haar verdringt die rol belangrijke binnenlandse, progressieve stemmen en verzwakt het de focus op eisen als vrouwenrechten en sociale rechtvaardigheid. Haar prioriteit is de onmiddellijke vrijlating van duizenden politiek gevangenen: volgens haar zijn zij de werkelijke leiders van de beweging.
Over de toekomst is ze pessimistisch maar niet zonder hoop. De huidige machthebbers hebben te veel bloed aan hun handen om nog geloofwaardig hervormingen te kunnen doorvoeren, stelt ze, maar de Iraanse samenleving blijft volgens haar veerkrachtig en zal — als een snelkookpan onder druk — opnieuw tot uitbarsting kunnen komen. Ahmadi zoekt hoop bij mensen die blijven zoeken naar nieuwe vormen van verzet en benadrukt dat echte verandering van onderop moet komen.