Na jeugd vol angst, liet Aaltje strenge geloof van haar ouders achter zich: 'Zou branden in de hel'
In dit artikel:
Ik geniet nu van kleine, voor velen vanzelfsprekende dingen — mooie kleding, muziek, theater en een dagje weg — die in mijn jeugd ondenkbaar waren. De vertelster groeide op als oudste dochter in een streng gereformeerd gezin binnen een angstige subcultuur waar van jongsaf veel regels golden: geen tv, geen sieraden, alleen lange rokken, geen broeken, bedekte schouders, geen make‑up, geen zwemles en beperkte sport. Zondagen bestonden uit twee lange kerkdiensten en er werd veel gepreekt over hel en verdoemenis; ongehoorzaamheid kon thuis fysieke straf opleveren. In een huishouden met tien kinderen kreeg zij al vroeg huishoudelijke en zorgtaken.
Vanaf haar twaalfde begon ze te twijfelen en kritischer te denken; ze zocht antwoorden in de Bijbel, maar jongerenstudie werd haar ontzegd. Uiteindelijk kwam ze tot een persoonlijke geloofservaring: ze besloot God te vertrouwen in plaats van Hem te vrezen — “God werd mijn vriend” — en op haar achttiende verliet ze de kerk, tot grote verontwaardiging van haar ouders. Ze vond later een plaats in een protestantse gemeente die lichter en opener voelde, met een jeugdvereniging waar ze aansluiting vond.
Een vrolijke vriend (nu echtgenoot) hielp haar loskomen van het verstikkende thuis; hij bracht luchtigheid en maakte het makkelijker om minder vaak thuis te zijn. Ze nam een bijbaan, begon een hbo‑opleiding en nam stiekem veranderingen aan (zoals haar haar in laagjes knippen) die thuis verboden waren. Toen haar moeder ongeneeslijk ziek werd, keerden zorgverplichtingen haar terug naar huis; een jaar na haar moeders overlijden vertrok ze op haar twintigste definitief.
Vrijheid wentte maar langzaam. Omdat ze nooit leerde flexibel te zijn, legde ze zichzelf later als moeder strikte regels op om zich veilig te voelen, wat tot angst leidde wanneer dingen anders liepen dan gepland. Psychische hulp hielp haar omgaan met die patronen. Uit die verwerking ontstond ook een boek, Lachen door een waas van tranen, bedoeld om troost en herkenning te bieden, niet als afrekening.
Haar boodschap is er een van herstel en hoop: ze wil niet meer terug naar de hopeloze vrees van vroeger. Haar geloof biedt nu houvast en ruimte voor vreugde, in plaats van een tirannieke interpretatie van God.