Na een diepe winter wordt het altijd weer lente, wist Danielle van de Koot (1981-2026)

maandag, 18 mei 2026 (07:20) - Trouw

In dit artikel:

Danielle van de Koot-Dees (23 augustus 1981–18 maart 2026) was een betrokken godsdienstpedagoog, onderzoeker en moeder die zich inzette voor het welzijn van kinderen in pleegzorg en bekend stond om haar oog voor wat zij noemde ‘gouden momenten’ — korte momenten van diepe verbinding tussen opvoeder en kind. Ze groeide op in een gezin dat veel verhuisde (Vlissingen, Frankrijk, Sumatra) en ontwikkelde vroeg een grote gevoeligheid en het vermogen zich in anderen in te leven. Die gevoeligheid combineerde ze later met academische scherpte en praktische betrokkenheid.

Na de pabo vertrok ze naar Amsterdam om pedagogiek aan de Vrije Universiteit te studeren; later volgde een master theologie en promotieonderzoek aan de Protestantse Theologische Universiteit. Haar proefschrift richtte zich op vroege geloofsopvoeding: hoe protestantse ouders in de stad proberen geloof en waarden over te dragen. Als docent maakte ze complexe theorieën toegankelijk en gebruikte daarvoor vaak kindervertellingen — iets dat ze ook thuis toepaste, want voorlezen aan haar drie kinderen was één van haar geliefde routines.

Samen met haar man, Sander van de Koot — die bij de Amsterdamse politie werkte en later leidinggevende functies kreeg — kreeg ze eerst een tweeling, Anna en Stine, en enkele jaren later zoon Tobias. Het gezin woonde in Amsterdam en Amstelveen, later verhuisden ze in 2023 naar Gouda toen Sander een functie in Rotterdam kreeg. Familie en geloof speelden een grote rol in Danielle’s leven; ze was actief in christelijke verenigingen en zag haar werk en geloof als onderling verbonden.

Professioneel legde Danielle zich toe op pleegzorg en gezinshuiszorg. Jarenlang deed ze onderzoek bij de Christelijke Hogeschool Ede, en ze ontwikkelde zich tot leidinggevende van het lectoraat Pleeg- en Gezinshuiszorg. Haar onderzoek richtte zich op de emotionele stabiliteit van pleegkinderen, op de complexiteit van loyaliteit tussen biologische en pleegouders, en op zorgvuldige overdracht van geloof en waarden — met als uitgangspunt dat kinderen in pleegzorg ruimte moeten behouden om zichzelf te blijven. Ze was betrokken bij publicaties en handreikingen voor de praktijk, onder meer bij de Herziene richtlijn Pleegzorg (2025), en droeg bij aan het boek Thuis geven — omgaan met verschil als christelijk pleeggezin. Haar expertise kwam ook naar voren bij het onderzoek rond de mishandelde pleegdochter uit Vlaardingen (2024), waar zij en haar echtgenoot elk met hun vakkennis bijdroegen aan het achterhalen van hoe zulke misstanden konden plaatsvinden en hoe ze te voorkomen.

Danielle was iemand met een fijngevoelige en aimabele persoonlijkheid: ze vond troost in literaire figuren (C.S. Lewis behoorde tot haar favoriete schrijvers), genoot van musea, koffie met taart, en kon diep geraakt worden door kleine dingen. Tegelijk had ze vechtlust en daadkracht — als kind probeerde ze zich in hechte gemeenschappen te bewijzen en later verdedigde ze als onderzoeker en docent de belangen van kwetsbare kinderen. Ze stond ook open over haar angsten en zocht actief hulp; voorbeelden zijn therapie voor een muizenfobie en extra rijlessen na een bijna-ongeluk, beide pogingen om haar leven minder beperkt door angst te laten zijn.

In 2023, kort na de verhuizing naar Gouda, kreeg Danielle de diagnose borstkanker. Eerst leek de ziekte behandelbaar en ze herstelde voldoende om weer te werken en te wandelen in haar nieuwe woonplaats. Ze bleef publiceren en in augustus 2025 gaf ze een openbare les over loyaliteit bij pleegkinderen, waarin ze pleitte dat kinderen niet hoeven te kiezen tussen hun geboorte- en pleegouders. Twee maanden na die les bleek de kanker terug te zijn; daaropvolgende behandelingen brachten telkens nieuwe teleurstellingen. Ondanks de kwetsbare prognose bleef zij eerlijk tegenover haar kinderen en hield ze vast aan het geloof dat ook in gebrokenheid ruimte is voor hoop.

In de laatste maanden zocht ze naar betekenisvolle, huiselijke momenten. Een beeld dat vaak terugkeert is dat zij met zoon Tobias in de herfst negentig bloembollen plantte en in het voorjaar meemaakte hoe die bloemen uitkwamen — een symbool van hoop en van de ‘gouden momenten’ die ze zo waardeerde. Ze stelde voor ieder van haar kinderen een notitieboekje samen met verhalen over hoe ze hen had leren kennen en wat ze hen toewenste, zodat zij die pagina’s verder konden vullen. Ze bleef aandachtig voor anderen en noemde de vele mensen die haar steunden een bron van genade in haar laatste levenstijd.

Danielle overleed op een lentedag in Gouda, terwijl de tuin vol kleurige bloemen stond — onder andere uit de bollen die zij met Tobias had geplant. Haar nalatenschap bestaat uit haar onderzoek en publicaties over pleegzorg, haar invloed als docent en mentor, en de herinneringen die haar gezin, collega’s en vrienden bewaren van iemand die zowel intellectueel toegewijd als teder was in het dagelijks leven.