Na de regime change: Syrië is hopeloos verdeeld

zaterdag, 17 januari 2026 (12:08) - Joop

In dit artikel:

De fragmentatie van Syrië wordt in veel westerse analyses gepresenteerd als het resultaat van externe machtsstrijd — een schaakspel tussen Turkije, Israël en andere grootmachten — waarbij lokale groepen als pionnen fungeren. Deze tekst draait het om: de kern van de verdeeldheid ligt volgens de auteur in de interne machtsopbouw van het nieuwe gezag dat uit de regimewissel is voortgekomen. Niet buitenlandse inmenging alleen, maar een ideologisch en institutioneel model van bestuur dat eenheidsvorming afdwingt via religieuze uniformering, maakt het land onherroepelijk splijtbaar.

Het huidige machtscentrum wordt gekenmerkt als een ongekozen coupregime dat geen inclusieve staatsorde bouwt, maar loyaliteit eist. “Eenheid” wordt niet met politieke participatie of gedeelde waarden bereikt, maar opgelegd door religieuze criteria — een soennitische sharialogica die pluraliteit uitsluit. Dit staatsmodel institutionaliseert ongelijkheid: burgerschap wordt hiërarchisch en rechten zijn voorwaardelijk. Vrouwenrechten en persoonlijke autonomie zijn ondergeschikt gemaakt aan politieke-islamregels; patriarchale ordening is doelbewust ingebouwd.

Minderheden — Koerden, Alawieten, Druzen — reageren niet uit expansionisme maar uit zelfbescherming. Hun autonomie-eisen zijn volgens de auteur defensief en realistisch: in een staat die religieuze conformiteit verplicht stelt rest slechts vrijwillige assimilatie, gedwongen assimilatie of vertrek. Daarom pleit de tekst voor autonoom bestuur binnen Syrië, in federatieve vorm met juridische, bestuurlijke en veiligheidswaarborgen, als enige manier om culturele continuïteit en fysieke veiligheid van minderheden te waarborgen.

Externe actoren vervullen wel een rol, maar die is vooral ordendelend en instrumenteel. Turkije en Israël opereren binnen een door de VS/NAVO gedomineerd veiligheidskader dat systemische beperkingen oplegt: open oorlog tussen hen schaadt westerse belangen, dus rivaliteit verloopt via proxies, diplomatieke druk, informatieoorlog en begrensde escalatie. Turkije speelt volgens de analyse een dominante rol richting het nieuwe Syrische machtscentrum: militair-politieke steun, anti-Koerdische campagnes en een neo-Ottomaanse agenda maken Syrië tot een laboratorium voor een bestuurstype dat Erdogan ook intern wil uitrollen. Israël fungeert als overtuigend extern vijandbeeld dat binnenlandse repressie legitimeert en tegelijkertijd selectieve relaties onderhoudt (bijvoorbeeld met Druzen) die passen bij zijn veiligheidsstrategie. Beide staten concurreren in dezelfde regio maar blijven operationeel ingekaderd door westelijke strategische belangen, wat directe confrontatie dempt.

De tekst plaatst deze regionale dynamiek binnen een bredere wereldorde die de auteur als westerse neoliberale neokoloniale machtenkarakteriseert. Die orde beheerst markten, financiële systemen en politieke legitimiteit en gebruikt sancties, embargo’s, schuldmechanismen en informatiecontrole om landen te disciplineren. Tegelijk ontstaan er tegenkrachten — China, Rusland, Iran — die alternatieve handels- en betalingsstructuren bouwen en zo een anti-dollarblok vormen. Maar ook die kampen handelen primair op basis van macht en strategische belangen, niet uit humanitaire motieven. In beide rivaliserende blokken is mensenrechtenretoriek vaak instrumenteel; bevolkingen betalen de prijs van strategische manoeuvres.

Syrië fungeert volgens de auteur als casus: de eerste fase van westerse regime change opende de staatstructuur; de nafase — de huidige fragmentatie — wordt vooral gereproduceerd door de ideologische staatsvorming van het nieuwe machtscentrum. Westelijke steun aan dat regime is paradoxaal, maar verklaarbaar: een verzwakte, deels afhankelijke macht is geopolitiek bruikbaar omdat ze regionale tegenmachten beperkt en beheersbaarheid vergroot. Dit maakt morele afkeuring van schendingen ondergeschikt aan functionele belangen.

Politiek-ethische conclusie van het betoog: progressieve politiek mag zich niet laten wegvoeren door regime-change-narratieven noch automatisch aansluiten bij antiwesterse blokvorming. Kritiek op machtsmisbruik moet consistent zijn en universele normen dienen. De auteur roept op tot een strategische breuk met retoriek die ontwrichting normaliseert en pleit voor dialoog, de-escalatie en vrede als uitgangspunten in plaats van het legitimeren van ingrepen onder het mom van democratie.

Kortom: de diepere oorzaak van Syriës breuk ligt minder in het geopolitieke speelveld dan in het ideologisch en institutioneel gefundeerde staatsmodel van het nieuwe regime, dat een religieus exclusieve eenheid oplegt, minderheden marginaliseert en sociale hiërarchie structureel maakt. Buitenlandse machtspolitiek beheert en benut die fragmentatie, maar lost haar niet op; duurzame stabiliteit vergt inclusieve staatsopbouw, rechtszekerheid en garanties voor minderheden — inclusief serieuze autonomiearrangementen binnen een federatief kader.