Na de racistische geweldsexplosie van afgelopen week zit de schrik er in Belfast goed in: 'Hell yeah, natuurlijk ben ik bang'

woensdag, 17 juni 2026 (03:31) - Het Parool

In dit artikel:

Afgelopen week werd Belfast opgeschrikt door georganiseerde, racistische aanvallen: ingegooide ruiten, uitgebrande huizen en gemaskerde groepen die gericht inwoners met een migratieachtergrond belaagden. De uitbarsting van geweld kwam na een steekincident op maandag, waarbij Stephen Ogilvie in het noorden van de stad werd verwond. De aangehouden verdachte is Hadi Alodid, een Soedanese man met een tijdelijke verblijfsvergunning; beelden van de aanval gingen wereldwijd rond en voedden online woede.

Tegen dinsdagavond verspreidden oproepen – onder meer door extreemrechtse en invloedrijke onlinefiguren – zich op sociale media, soms vergezeld van lijsten met adressen van vermeende migranten. In reactie daarop trokken grote groepen, vooral uit loyalistische (protestantse) wijken, de straat op. Winkels sloten vroeg, werknemers gingen naar huis en veel delen van de stad leken tijdelijk op slot te staan. Het geweld concentreerde zich voornamelijk in loyalistische buurten, waar sommige paramilitaire figuren en buurtbewoners toekeken terwijl huizen in brand werden gestoken.

Mensen uit migrantengemeenschappen voelen zich zichtbaar bedreigd. Studenten en jonge activisten, zoals Ruchira Rangaprasad die kortgeleden uit India naar Belfast kwam, mobiliseerden zich om maaltijden en hulp te brengen aan gezinnen die niet meer durfden te vertrekken. Lokale organisaties zoals het Anaka Women’s Collective evacueerden bewoners en plaatsten naar schatting honderden families tijdelijk elders onder dak. Anderen overwegen vanwege de angst te vertrekken uit de stad.

Historische en structurele factoren verklaren deels waarom dit geweld zo explosief werkt. Kieran Connell, historicus aan Queen’s University Belfast, kwalificeert de nacht als een pogrom-achtige gebeurtenis en wijst op een patroon: wanneer een misdaad plaatsvindt met een witte slachtoffer en een niet-witte verdachte, fungeren sociale media en populistische stemmen als katalysator voor massale, vaak gewelddadige reacties. Loyalistische paramilitairen beschikken bovendien over netwerken die sociale onrust kunnen aanwakkeren. Hoewel Noord-Ierland een lange geschiedenis van sectair geweld kent — vooral tussen protestanten en katholieken tijdens The Troubles — is er nu volgens Connell een verschuiving zichtbaar: etnische minderheden worden steeds vaker doelwit.

De afgelopen jaren deden soortgelijke episodes zich voor. Vorig jaar leidde de aanklacht tegen twee Roma-jongens tot rellen; daarvoor circuleerden foute onlineberichten over de herkomst van een dader in Engeland, wat ook spanningen aanwakkerde. Politieke retoriek draagt bij aan normalisering van antimigratiegevoelens: sommige politici wijzen op een ‘probleem’ van migratie, of spreken van een ‘gevaar’ van buitenlandse culturen, terwijl etnische minderheden in Noord-Ierland nog maar een klein deel van de bevolking vormen (ruim geen 3,5 procent) en er officieel maar circa tweeduizend asielzoekers zijn.

Tegelijkertijd zijn er tegenbewegingen: duizenden Bettenaren protesteerden zaterdag bij het stadhuis uit solidariteit met verjaagde families, en buurtbewoners helpen elkaar. Voor veel migranten blijft Belfast ondanks de angst een thuis; anderen voelen zich gedwongen hun toekomst elders te zoeken. Connell dringt er bij autoriteiten op aan serieus na te denken hoe dergelijke pogroms voortaan voorkomen kunnen worden, omdat hij verwacht dat nieuwe triggers zullen blijven opduiken.

Kortom: de rellen in Belfast waren geen louter lokale uitbarsting maar het gevolg van een giftige mix van een criminaliteitszaak, sociale media-amplificatie, politieke verhitting en bestaande loyalistische structuren. De nasleep toont tegelijk de kwetsbaarheid van migranten in Noord-Ierland en de actieve pogingen van gemeenschappen en hulporganisaties om slachtoffers te steunen en verdere escalatie te voorkomen.