Na de oorlog konden Joodse Nederlanders die hun kostbaarheden hadden afgestaan aan Lippmann Rosenthal & Co. nergens terecht
In dit artikel:
Tijdens de Duitse bezetting werd het Amsterdamse filiaal van de Joodse familiebank Lippmann, Rosenthal & Co. door de bezetter ingezet om Joodse Nederlanders hun bezittingen “in bewaring” te laten geven. Aanvankelijk betroffen die vooral effecten en contanten; later werden ook levensverzekeringen, kunst, trouwringen en zilver in beslag genomen, waarna het geroofde goed systematisch op de markt werd gebracht. De Joodsche Raad spoorde veel mensen aan gehoor te geven aan die oproep, waardoor de opbrengsten aanzienlijk waren.
In zijn boek Voor joden verplicht reconstrueert oud-journalist André Vermeulen de werkwijze van de door de bezetter gecontroleerde LiRo-vestiging in de Sarphatistraat (toen Muiderschans). Hij laat zien hoe het gestolde vermogen vanaf 1943 op één grote rekening werd samengebracht en hoe de roof structureel werd uitgevoerd en doorverkocht aan iedereen met betaalkracht. Die handel leverde veel Nederlanders winst op; gerechtelijke vervolging na de bevrijding bleef vaak uit of kwam pas veel later.
De nasleep illustreert Vermeulen met voorbeelden. De Nederlandse regering en justitie waren terughoudend bij claims van Holocaustoverlevenden: uitbetaling van restituties stuitte op praktische impedimenten en politieke weerstand, onder meer van minister Piet Lieftinck; substantieel uitgekeerd geld aan de Joodse gemeenschap volgde pas rond het jaar 2000. Ook zuiveringsprocedures leverden weinig harde vervolgingen op: van de circa 825 LiRo-medewerkers kwamen er slechts 43 door de zuivering, terwijl velen die bij de roof hadden meegewerkt na de oorlog weer functioneerden.
Vermeulen behandelt verder individuele dossiers: Arnold Jan d’Ailly, later populair burgemeester van Amsterdam, had tijdens de bezetting – net als veel collega-bankiers – Joodse aandelenportefeuilles gekocht. Zijn benoeming in 1946 werd mede gezien als beloning voor deelname aan verzetsbankier Walraven van Halls operatie om vervalste staatschuldbewijzen te ruilen voor originelen uit de Nederlandsche Bank; de verkoopopbrengst financierde het verzet. Tegelijkertijd was d’Ailly in 1944 terughoudend met het storten van 20.000 gulden in het Nationaal Steun Fonds en werd hij uiteindelijk politiek gedwongen op te stappen vanwege een langlopende affaire.
Het proces tegen de effectenhandelaar Rebholz, een gevluchte Duitser die genaturaliseerd Nederlander was, toont de moeizame rechtsgang: langdurig vooronderzoek, beperkte publieke interesse en uiteindelijk een hoger beroep met een deels uitgezette straf. Vermeulen citeert interne adviezen waarin werd gewaarschuwd dat veel notabelen betrokken waren bij de handel in geroofde portefeuilles, wat vervolgingen belemmerde.
Het boek van Vermeulen (Voor joden verplicht, Walburgpers) schetst hoe economische belangen, institutionele nalatigheid en politieke keuzes na de oorlog lang hebben verhinderd dat veel slachtoffers hun tegoeden terugkregen of dat verantwoordelijken massaal werden aangepakt. Het levert een gedetailleerd beeld van de financiële kant van de ontneming en de schaduwrijke wisselwerking tussen collaboratie, verzet en de naoorlogse afrekening.