Monique (66) en Lisa (28) brengen kunstpionier Afina Goudschaal uit Roden opnieuw tot leven in Leens. 'Vrouwen moeten nog altijd harder knokken'
In dit artikel:
Kunstenares Afina (Fie) Goudschaal (1877–1953) krijgt in museum Borg Verhildersum in Leens een overzichtstentoonstelling: voor het eerst zijn tientallen van haar werken bijeengebracht. De expositie, samengesteld door directeur Monique Spaltman en conservator Lisa Witte, belicht zowel Goudschaals artistieke vakmanschap als haar rol als pionier voor vrouwelijke kunstenaars rond 1900. „Ze was een powervrouw’’, aldus Spaltman.
Goudschaal behoorde tot de eerste vrouwen die vanaf 1894 aan de Groningse Academie Minerva opleiding kregen. Hoewel zij les mocht volgen, gold er een aparte Damesklasse: anatomielessen met naaktmodellen waren verboden, waardoor vrouwelijke studenten zich moesten beperken tot bloemen, planten en decoratieve studies. Ondanks die beperkingen ontwikkelde Goudschaal zich tot een technisch begaafd miniatuurschilder en ontving ze meerdere academische onderscheidingen eind 19e eeuw.
Na haar afstuderen keerde ze kort terug naar het ouderlijk huis in Westerwijtwerd; in 1911 vestigde ze zich in Den Haag. Via contacten in Haagse kringen — onder meer via Alida van Houten en de familie Mesdag — vond ze toegang tot invloedrijke netwerken en prestigieuze opdrachten. Haar specialisme, fijn geschilderde portretminiaturen vaak op ivoor, leverde haar opdrachten op uit de hoge kringen: in 1935 vervaardigde ze een portret van prinses Juliana, waardoor ze tot de weinige vrouwelijke kunstenaars behoort met werk in de Koninklijke Verzamelingen. Witte benadrukt dat haar werk opviel door technische beheersing en psychologische scherpte: ze wist niet alleen uiterlijke gelijkenis, maar ook karakter vast te leggen.
De tentoonstelling toont een breed beeld van haar oeuvre: houtskooltekeningen, olieverfportretten, bloemstudies, art‑deco‑ontwerpen en miniaturen. Bezoekers krijgen ook een interactieve ervaring: er staat een buste van koningin Wilhelmina om na te tekenen, waarmee het publiek kan ervaren hoe Goudschaal tijdens haar opleiding oefende. Veel van het gepresenteerde materiaal komt uit de nalatenschap die haar nicht To van der Veen‑le Grand koesterde; Witte vermoedt dat nog meer miniaturen in privécollecties van Haagse families verborgen liggen.
Buiten de kunsthistorische waardering benadrukt de expositie de sociaal‑culturele betekenis van Goudschaals loopbaan: haar onafhankelijke, ongehuwde leven en professionele status waren uitzonderlijk voor een vrouw in die tijd. Spaltman gebruikt de presentatie ook als vertrekpunt voor een bredere discussie over zichtbaarheid van vrouwelijke kunstenaars: volgens haar is de ongelijkheid in erkenning nog niet volledig verdwenen, ook in 2026 moeten vrouwen vaak harder werken voor zichtbaarheid.
De tentoonstelling is te zien tot 1 november en wil zowel Goudschaals artistieke kwaliteit als haar voorbeeldfunctie als wegbereidster onder de aandacht brengen.