Mogen komend jaar ook bekwame artsen 'in' de zorgverzekering?
In dit artikel:
In Nederland, zo betoogt de auteur, slagen artsen na hun zesjarige opleiding vaak niet in het adequaat behandelen van veel patiënten — vooral vrouwen — omdat de medische kennis in onderwijs en onderzoek onvoldoende aansluit op vrouwelijke fysiologie en veelvoorkomende klachten. Dit tekort zou leiden tot ernstige gevolgen: jaarlijks zouden rond de 20.000 mensen overlijden door verkeerd medicijngebruik, en veel anderen ontwikkelen onnodige chronische aandoeningen of blijven onterecht doorlopen met hart- en vaatziekten, chronische vermoeidheid of pijnklachten.
De kern van het probleem ligt volgens het stuk bij de opleiding en het onderzoeksbeleid. Artsen kiezen met goede intenties voor het vak en investeren in hun loopbaan, maar krijgen een curriculum dat vooral op het mannelijk lichaam is gericht. Daardoor missen veel (huis)artsen en specialisten cruciale kennis om vrouwelijke patiënten te helpen. Patiënten keren vaker terug, krijgen herhaalde onderzoeken en medicijnen, zonder dat er fundamentele verbetering optreedt — wat zowel menselijk leed als hoge zorgkosten veroorzaakt die via premies en eigen risico door iedereen worden betaald.
Ook de rol van verzekeraars en overheid wordt kritisch belicht. Het huidige stelsel dwingt burgers een dure zorgverzekering af voor hulp die in de praktijk niet goed aansluit bij hun klachten. De auteur vergelijkt dit met het verplicht afsluiten van onderhoudscontracten bij een ongeschikte vakman: de dekking bestaat op papier, maar de kennis ontbreekt in de werkelijkheid. Bovendien zou er bewust weinig geïnvesteerd zijn in onderzoek naar vrouwen, waardoor veel medicijnen onvoldoende op vrouwen getest zijn bij introductie op de markt.
De tekst gaat verder dan onkunde en noemt economische motieven: het gebrek aan adequate zorg voor vrouwen zou zowel uit gemak als uit financiële overwegingen in stand gehouden worden. Vrouwen vormen een groot zorgconsumentensegment; zolang er geen goede behandeling is, blijven zij terugkomen voor consulten, medicijnen en onderzoeken — een verdienmodel voor ketens van zorg en industrie. De auteur ziet daarnaast een sociale dimensie: de ondergeschikte maatschappelijke positie van veel vrouwen beperkt hun invloed om betere zorg af te dwingen, wat volgens het stuk de ongelijkheid versterkt.
Als alternatief wijst de schrijver op bestaande kennisbronnen buiten de reguliere geneeskunde, zoals ayurveda en oosterse tradities, waarin aspecten van het vrouwelijke lichaam explicieter aan bod komen. Die kennis, plus internationale inzichten over hormonen en sekseverschillen, zou volgens de auteur veel breder gebruikt moeten worden in medische opleidingen en in de informatievoorziening van verzekeraars.
Praktische voorstellen om het probleem snel te verkleinen zijn onder meer: artsen laten aangeven in hoeverre zij competent zijn op specifieke gebieden (bijv. vrouwen- versus mannenzorg), medicijnetiketten voorzien van waarschuwingen wanneer getest op een niet-representatieve populatie, en verzekeraars verplichten bestaande kennis over vrouwelijke gezondheid te verspreiden. De auteur sluit met een oproep: meer bekwame artsen en betere informatieplicht moeten vrouwen in staat stellen gezonder te worden — ze betalen er immers al voor.
Kortom: het artikel stelt dat in Nederland systemische tekortkomingen in opleiding, onderzoek en financiering leiden tot slechte zorg voor veel patiënten, met name vrouwen, en pleit voor beleidsmatige en praktische veranderingen om deze achterstand te dichten.