Modeman Martijn N., beschuldigd van zes verkrachtingen, blijft in hoger beroep volhouden dat jongens seks op dates hadden kunnen verwachten

vrijdag, 8 mei 2026 (16:31) - Het Parool

In dit artikel:

Mode-initiatiefnemer Martijn N. (37), oprichter van stichting Moam, stond deze week in hoger beroep terecht nadat het Openbaar Ministerie (OM) bezwaar maakte tegen de eerdere straf. Het OM eist nu zeven jaar gevangenisstraf voor tien zedenzaken die volgens het parket tussen 2011 en 2021 plaatsvonden. Het hoger beroep spitst zich toe op het oordeel van de rechtbank van anderhalf jaar geleden, toen N. voor drie feiten (ontucht met twee minderjarigen en één aanranding) tot achttien maanden cel, waarvan acht voorwaardelijk, werd veroordeeld; voor andere aanklachten werden vrijspraken of niet-ontvankelijkheid uitgesproken.

De zaak kwam in beweging na onderzoeksjournalistiek van Het Parool en NRC: tientallen mannen spraken de kranten aan, waarna in maart 2021 eerst 28, later nog eens acht mannen N. beschuldigden van gewelddadig en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Uiteindelijk deden achttien mannen aangifte bij de politie. Het OM schetst een patroon waarbij jonge, vaak onervaren mannen via sociale media werden benaderd en tijdens ontmoetingen geïntimideerd werden of geen ruimte voelden om grenzen te stellen; sommige aangevers zeiden te zijn verstijfd of pas achteraf te beseffen wat er gebeurde.

N. verzet zich tegen het beeld van dwang en benadrukt in de rechtszaal herhaaldelijk dat seksueel contact volgens hem consensueel verliep en dat hij veel partners had — tijdens eerdere zittingen en nu noemde hij cijfers in de duizenden. Hij erkende dat zijn gedrag dominant was en zei dat mensen door zijn dominantie kunnen zijn overweldigd, maar ontkende dat er sprake was van dwang indien er expliciet nee werd gezegd. Ook ontkende hij bewust jonge jongens te hebben geselecteerd via Facebook; volgens hem was het een mengeling van contacten uit verschillende kringen.

Het hof vroeg kritisch door op de kwetsbaarheid van slachtoffers: veel van hen waren jong, soms nog scholieren, woonden bij hun ouders en misten seksuele ervaring, waardoor ze mogelijk niet wisten hoe ze N.’s gedrag moesten pareren. Justitie verwijt de rechtbank vorig jaar te veel te kijken naar fysiek verzet en te weinig naar situaties waarin slachtoffers verstijven of uit angst meewerken — belangrijk omdat de zaak onder de oude zedenwet valt, die destijds dwang, geweld of bedreiging moest aantonen. Sinds 1 juli 2024 geldt een nieuw strafrechtelijk kader waarin expliciete instemming centraal staat.

Advocaat Gerard Spong vroeg het hof om vrijspraak: volgens hem past de klassieke omschrijving van dwang niet op deze feiten en lammen veel verklaringen neer op spijt achteraf. Tegelijk wijst de reclassering op vooruitgang: N. is sinds 2021 vrijwillig in behandeling voor een persoonlijkheidsstoornis en toont volgens rapportages stabieler functioneren, reden waarom geen verplicht behandeltraject wordt geadviseerd.

Het gerechtshof in Amsterdam doet uitspraak op 8 juni. De zaak wordt gezien als een van de grootste Nederlandse rechtszaken rond seksueel geweld tussen mannen en heeft debat opgeroepen over macht, intimiteit en de drempel waartegen het recht sinds de wetswijziging slachtoffers moet beschermen.