Minister wil regels aanpassen: huren mogen in veel gevallen weer omhoog
In dit artikel:
Minister Elanor Boekholt-O’Sullivan (D66, Volkshuisvesting) wil de regels versoepelen die particuliere verhuurders nu dwingen huren te matigen. De voorstellen, die bij goedkeuring per 1 januari 2027 moeten ingaan, maken onder meer mogelijk dat huren van woningen met een hoge WOZ‑waarde omhoog gaan, dat het ontbreken van buitenruimte geen reden meer is voor lagere huur, dat rijksmonumenten hogere huren mogen krijgen en dat verhuurders van nieuwbouwwoningen langer een opslag van 10% mogen rekenen. De Tweede Kamer moet de plannen nog goedkeuren.
De wijzigingen raken vooral huurders in de grote steden: het ministerie schat dat de WOZ‑maatregel ongeveer 25.000 huurwoningen treft en dat de wijziging voor rijksmonumenten gevolgen kan hebben voor zo’n 10.000 huurders. De Amsterdamse wethouder Zita Pels noemt de plannen slecht doordacht en waarschuwt dat stadsbewoners daardoor meer huur gaan betalen; zij zegt dat verhuurders weer profiteren “over de rug van de woningzoekende.”
Achtergrond is dat veel particulieren de afgelopen tijd hun verhuurpanden verkochten omdat verhuren niet rendabel werd. De voorstellen vormen deels een uitruil met eerdere aanscherpingen: de Wet betaalbare huur (kabinet‑Rutte IV) had de huren van circa 300.000 woningen gemiddeld met ongeveer €190 verlaagd. Daarnaast werkt het kabinet aan belastingwijzigingen waardoor eigenaren van tweede woningen straks alleen op rendement worden aangeslagen (een verandering die nog jaren kan duren), en wordt de overdrachtsbelasting verlaagd voor kopers die willen verhuren.
Ook tijdelijke huurcontracten moeten ruimer worden voor studenten: het kabinet wil dat alle studenten weer een tijdelijk contract kunnen krijgen; nu geldt die mogelijkheid alleen voor studenten die uit een andere gemeente verhuizen. Dat is van belang omdat particuliere verhuurders verantwoordelijk zijn voor bijna de helft van de studentenwoningen (ongeveer 160.000 woningen in de 19 grootste studiesteden).
De minister benadrukt dat deze aanpassingen de woningnood niet oplossen; daarvoor is vooral meer bouw nodig. Het kabinet zet zwaar in op prefab‑bouw: binnen vier jaar moet minimaal de helft van alle nieuwbouwwoningen fabrieksmatig worden gebouwd. Ook worden landelijke standaarden voorgesteld om gemeentelijke eisen te harmoniseren en vergunningprocedures te versnellen. Er wordt €287 miljoen vrijgemaakt om gemeenten te helpen sneller te bouwen, en het kabinet verwacht jaarlijks zo’n 15.000 extra woningen te kunnen realiseren door optoppen, splitsen en transformatie van bestaande panden.