Minderheidskabinet: volwassen bestuur in een liefdeloos gepolariseerd speelveld
In dit artikel:
De Nederlandse politiek zit volgens het stuk vast in een patroon van polarisatie, starre partijdiscipline en strategische blokkades, waarbij coalities worden dichtgetimmerd en oppositie vooral op tegenwerking inzet. Die werkwijze leidt tot besluitvorming die meer draait om framing, profilering en scoringsdrang dan om inhoudelijke oplossingen. Het aankomende 32ste kabinet — een minderheidskabinet — kan volgens de auteur een breuk met die praktijk betekenen en een kans bieden om de kwaliteit van bestuur te herstellen.
Een minderheidskabinet dwingt tot dossiergewijze politiek: elk voorstel moet in de Tweede Kamer steun verwerven, waardoor ministers beleid op inhoud en uitvoerbaarheid moeten verdedigen in plaats van te leunen op vooraf gesloten coalitieafspraken. Dat versterkt het dualisme tussen regering en parlement en geeft de Kamer meer controle en ruimte om bij te sturen. In plaats van alles-aan-een-pakket (package deals) en maximalistische eisen, vraagt dit model om prioriteren, rekenen en realistische keuzes per onderwerp.
De gebruikelijke argumenten dat minderheidsbestuur “chaos” zou brengen, zijn volgens de tekst vaak een zelfvervullende voorspelling: door samenwerking vooraf te diskwalificeren en onhaalbare voorwaarden te stellen, ontstaan precies de instabiliteit die critici waarnemen. De mislukking van kabinet Rutte I wordt niet toegeschreven aan het minderheidskarakter zelf, maar aan de samenspraak met Wilders’ eenmansfractie — een waarschuwing tegen veralgemenisering.
Voordelen die worden geschetst: mindererie kabinetten maken het mogelijk ministers te benoemen buiten de klassieke coalitielogica (bijvoorbeeld experts of andere partijen), verminderen de druk van permanente mediastunts en maken verkiezingsbeloften transparanter omdat ze niet meteen in ondoorzichtige compromissen verdwijnen. Ook kan de oppositie actiever meebouwen aan meerderheden per dossier in plaats van reflexmatig te blokkeren; dat vereist meer dossierkennis en onderhandelingsvaardigheid van Kamerleden.
Daarnaast wordt de rol van de media kritisch belicht: de journalistiek zou minder op conflict en incidenten moeten focussen en meer moeten blootleggen wie daadwerkelijk bijdraagt aan oplossingen en wie bestuurlijke stilstand veroorzaakt. De Eerste Kamer zou meer een chambre de réflexion moeten zijn dan een verlengstuk van Tweede Kamer-strategieën.
De auteur stelt dat minderheidsbestuur geen systeemfout is maar een democratische stresstest: het vraagt vakmanschap, realisme en het vermogen om boven partijbelang uit te stijgen. Als politici en media hun houding aanpassen, kunnen minderheidsregeringen volgens het artikel stabiel en resultaatgericht beleid opleveren — iets wat nodig is om urgente problemen zoals klimaat, economie, migratie en ongelijkheid effectief aan te pakken. Conclusie: geef het nieuwe minderheidskabinet een kans; het biedt de mogelijkheid om macht minder als doel en meer als middel voor concrete oplossingen te zien.