Minder vlees en zuivel? Dat kost Nederlandse veehouders minstens 1,8 miljard euro
In dit artikel:
Anniek Kortleve, promovendus aan de Universiteit Leiden, berekende samen met collega’s wat een verschuiving naar een plantaarder dieet zou betekenen voor de financiële positie van Europese veehouders. Aan de hand van FAO- en EU-data schatten zij dat bij een relatief kleine daling van 9,5% in vlees‑ en zuivelconsumptie al ongeveer 61 miljard euro aan vaste landbouwinvesteringen — stallen, machines en vee — “stranded assets” zouden worden: bezittingen die hun waarde (grotendeels) verliezen. Bij een volledig plantaardig dieet loopt dat verlies volgens hun publicatie in Nature Food op tot circa 255 miljard euro.
Voor Nederland rekenden Kortleve en collega’s uit dat tussen de 1,8 en 15 miljard euro op het spel staat, wat neerkomt op 8 tot 71% van de investeringen in de Nederlandse landbouw. Kortleve zegt te zijn verrast door de omvang van het potentiële waardeverlies: “Dat zoveel investeringen waardeloos kunnen worden, verbaasde me.” Het onderzoek laat zien waarom veel veehouders terughoudend zijn om te schakelen: zij hebben grote, kapitaalintensieve installaties gekocht met het idee dat die jarenlang rendabel blijven.
De studie plaatst de landbouwtransitie naast het bekende concept van stranded assets in de fossiele sector: ook daar verklaren mogelijke waardeverliezen mede de sterke lobby tegen snel klimaatbeleid. In Nederland zijn voorbeelden zichtbaar van agro‑bedrijven die politiek en publiek debat proberen te beïnvloeden, bijvoorbeeld rond de stikstofproblematiek. Tegelijkertijd wijst Kortleve erop dat de landbouwsector gefragmenteerder is dan de olie-industrie: van kleine biologische akkerbouwers tot industriële veehouderijen en grote concerns.
Naast de risico’s belicht het onderzoek ook de maatschappelijke baten van minder dierenhouderij. Data wijzen uit dat voor een volledig plantaardig dieet slechts een kwart van het huidige landbouwareaal nodig zou zijn; eerder berekende analyses suggereren dat bij afbouw van de veehouderij in Nederland ruimte ontstaat om minstens vier miljoen extra mensen te voeden. Bovendien bevat Kortleve’s berekening geen rekening met landbezit ter waarde van naar schatting 759 miljard euro; dat land kan bij omschakeling in waarde stijgen (akkerland is doorgaans meer waard dan grasland) en zo verliezen op stallen en machines deels compenseren.
Kritieken op het onderzoek benadrukken dat niet alle activa onbruikbaar hoeven te worden: sommige schuren en machines zijn herbruikbaar voor akkerbouw of opslag van gewassen. Ook verwacht de Europese Commissie dat de vleesconsumptie de komende tien jaar slechts langzaam daalt (circa 1,3%). Kortleve stelt desalniettemin dat een georganiseerde aanpak de transitie makkelijker maakt: als veehouders nu stoppen met nieuwe zware investeringen en besparingen plus EU‑subsidies gebruiken om over te schakelen, zou een omslag binnen de gemiddelde afschrijvingsperiode van ongeveer tien jaar haalbaar kunnen zijn.
Het onderzoek biedt daarmee zowel een verklaring voor politieke weerstand tegen veranderingen in de landbouw als handvatten voor beleid dat rekening houdt met de kwetsbaarheid van boeren en de mogelijkheden om grondgebruik efficiënter in te richten.