Minder verhuizingen binnen 4 kilometer, gemiddelde verhuisafstand neemt toe
In dit artikel:
In 2024 verhuisde de gemiddelde Nederlander 18 kilometer, twee kilometer verder dan in 2015, meldt het CBS. Hoewel het aandeel verhuizers licht daalde naar 8,1 procent (van 8,5% in 2015), zijn er minder korte verplaatsingen (tot 4 km) en meer verhuizingen over afstanden van 4–20 km en een lichte toename van verhuizingen boven de 20 km. Sinds 2020 is de gemiddelde verhuisafstand duidelijk gestegen.
De spreiding laat zien dat de helft van de verhuizers in 2024 binnen 4 km van hun oude woning bleef (tegen 3 km in 2015) en driekwart niet verder dan 17 km ging (tegen 13 km in 2015). Leeftijdsgroepen verschillen: jongeren verhuizen gemiddeld het verst, vooral studenten van 18–25 jaar die aan het eind van het jaar studeren — hun gemiddelde afstand steeg van 42 km (2015) naar 49 km (2024). Werkende jongeren die uit huis gaan verhuizen veel korter (17 km, tegen 15 km in 2015). Ook 30–65‑jarigen en gezinnen met kinderen verhuisden in 2024 vaker over langere afstanden; mensen die naar de pensioengerechtigde leeftijd gaan verhuizen minder vaak, maar gemiddeld iets verder (circa 19 km).
Regionaal nam de verhuisafstand het sterkst toe in de Randstad (van zo’n 10–15 km naar 15–20 km). Verhuizers vanuit Fryslân, Groningen en Drenthe leggen gemiddeld de grootste afstanden af. In veel gemeenten ligt de gemiddelde afstand van vertrekkers boven de 20 km. Mogelijke verklaringen — niet door het CBS expliciet genoemd — zijn krapte op de woningmarkt, veranderende woonwensen en arbeidsmobiliteit.