Minder 60-plussers onder AOW-leeftijd al met pensioen
In dit artikel:
Eind 2024 waren er in Nederland 1,7 miljoen 60-plussers die nog niet de AOW-leeftijd hadden bereikt. Van hen is 10 procent (167,8 duizend mensen) al eerder met pensioen, een daling ten opzichte van 2014 toen dat aandeel 16 procent bedroeg. Deze ontwikkeling hangt samen met de verhoging van de AOW-leeftijd van 65 jaar en twee maanden in 2014 naar 67 jaar in 2024.
Werk is voor steeds meer zestigers onder de AOW-leeftijd het hoofdinkomen: bijna de helft heeft een baan als werknemer (tegen 37 procent in 2014). Tegelijkertijd is het aandeel met een werkloosheidsuitkering gehalveerd (van 4 naar 2 procent); veranderingen in de WW-duur (van maximaal 38 maanden naar maximaal twee jaar) spelen daarbij mee. Zelfstandigen vormen een groeiende groep (nu 13 procent, vroeger 10 procent). Het aandeel zonder eigen inkomsten daalde van 15 naar 9 procent; van deze groep deelt 80 procent een huishouden met een partner die wél inkomsten heeft.
Wat pensioenopbouw betreft: 1,3 miljoen 60-plussers hebben aanvullend pensioen opgebouwd bij een werkgever. Dat geldt voor 96 procent van werkende werknemers, maar ook voor 95 procent van degenen met een WW-uitkering en 86 procent van mensen met een arbeidsongeschiktheids- of ziektewetuitkering. Zelfstandigen hebben zelden (6 procent) pensioen via een werkgever — waarschijnlijk opgebouwd tijdens eerdere dienstverbanden — al kunnen zij wel individuele voorzieningen hebben.
De grootste tekorten in aanvullende pensioenopbouw zitten bij bijstandsgerechtigden: 73 procent heeft geen aanvullend pensioen. Ook mensen zonder eigen inkomsten hebben vaak geen aanvullend pensioen (ongeveer de helft). Vrouwen zijn over alle groepen heen vaker zonder of met minder aanvullende pensioenopbouw dan mannen (27 procent tegenover 18 procent zonder werkgeverspensioen), een duidelijk signaal van de aanhoudende genderkloof in pensioenopbouw.