Migratiedeskundige Javier de Lucas: 'Hoezo mensen uitzetten? Laat migranten werken met een visum'
In dit artikel:
Een dag nadat EU-ministers een verhard migratiepakket groen licht gaven, waarschuwt de Spaanse migratie-expert Javier de Lucas dat het aanscherpen van terugkeerbeleid en het uitbesteden van asielprocedures aan zogenoemde ‘veilige derde landen’ fundamenteel fout en juridisch problematisch is. Het interview verscheen op 7 januari 2026, tegen de achtergrond van Deens geformuleerde voorstellen voor deportatiecentra buiten de EU, versoberde solidariteit tussen lidstaten en een herdefinitie van wat een ‘veilig’ land is.
De Lucas — hoogleraar rechts- en politieke filosofie, oprichter van het Instituut voor Mensenrechten aan de Universiteit van Valencia en jarenlang actief in ngo’s en beleid — rekent af met de retoriek van afkeer. Hij betoogt dat het principe van non-refoulement (niet-terugsturen naar dreiging) onder druk staat door nieuwe EU-afspraken die toelaten asielzoekers naar landen te sturen zonder individuele toetsing van hun verzoeken. Volgens hem maakt dat beleidskeuzes mogelijk waarmee staten juridische standaarden verlagen: een land kan als ‘veilig’ worden bestempeld zelfs als delen daarvan onveilig zijn voor specifieke groepen. Ook waarschuwt hij tegen het schrappen van gronden voor asiel, zoals seksuele gerichtheid, waarmee eerdere jurisprudentie die bescherming uitbreidde, zou worden uitgehold.
Historische voorbeelden onderbouwen zijn kritiek. De Lucas herinnert aan Spanje’s vroegere externalisering naar Marokko en Mauritanië en aan de humanitaire problemen in een met Spaans geld gebouwd detentiecentrum in Nouadhibou. Dergelijke praktijken, zegt hij, dienen niet als model; nieuwe eufemismen zoals ‘terugkeerhubs’ verdoezelen wat in wezen detentie en ontzegging van rechten kan zijn.
Economisch en demografisch formuleert De Lucas tegenargumenten: migratie levert nettowinst op. Hij verwijst naar cijfers van de Europese Centrale Bank die aangeven dat een groot deel van de Spaanse groei (2019–2024) te danken is aan buitenlandse inwoners. Europa kampt met vergrijzing en dalende geboortecijfers; migratie is daarom geen last maar een noodzakelijke bijdrage aan de arbeidsmarkt en publieke financiën. Politiek ziet hij migratie vaak als zondebok — een manier om ongelijkheid en economische problemen te maskeren.
Praktische alternatieven pleit De Lucas wél: geen open grenzen, maar gereguleerde, gecoördineerde toegangen. Hij stelt een tijdelijk visum voor werkzoekenden voor (zes maanden tot een jaar) op basis van bilaterale afspraken, gecombineerd met arbeidsbemiddeling door vakbonden en sociale diensten. Zulke experimentele regelingen zouden volgens hem kunnen aantonen hoeveel mensen daadwerkelijk verdwijnen na afloop van hun visum en of de percentages beheersbaar zijn; wereldwijd bestaan weinig vergelijkbare proefprojecten. De uitdaging blijft handhaving en de terugkeer van wie geen werk vindt, maar hij betoogt dat de veronderstelling dat de meesten meteen clandestien worden, nooit is getest.
Politiek is De Lucas pessimistisch: het discours van afwijzing en securitisering heeft terrein gewonnen. Toch benadrukt hij dat er wetenschappelijke en economische bewijzen zijn voor haalbare, humane en rendabele migratiebeleidopties. Zijn kernboodschap: massale uitzettingsdrift en het demoraliseren van migratie zijn op lange termijn zelfdestructief voor landen die economische groei en demografische stabiliteit nodig hebben.