Migratie verantwoordelijk voor 60 procent van de woningvraag
In dit artikel:
Volgens een op 12 oktober 2026 verschenen onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) waren migranten verantwoordelijk voor ongeveer 60 procent van de Nederlandse woningvraag in de periode 2015-2024. Van de 2,2 miljoen mensen die in die jaren naar Nederland kwamen, woonden er in 2024 nog 1,4 miljoen in het land. Zij gebruikten samen circa 435.000 woningen.
Het EIB onderscheidde arbeids-, kennis-, studie- en asielmigranten. Arbeidsmigranten vormden de grootste groep, maar ongeveer 60 procent vertrok binnen tien jaar weer. Asielmigranten kwamen in kleinere aantallen, maar bleven doorgaans permanent. Daardoor droegen beide groepen volgens het onderzoek ongeveer evenveel bij aan het structurele woningtekort. De overige extra woningvraag kwam vooral door gezinsverdunning, bijvoorbeeld doordat kinderen zelfstandig gaan wonen.
Het rapport spreekt volgens de auteur ook het beeld tegen dat statushouders slechts 7 procent van de sociale huurwoningen beïnvloeden. Daarbij wordt volgens het EIB onvoldoende onderscheid gemaakt tussen woningtoewijzingen aan bestaande huurders en de extra vraag die door nieuwe inwoners ontstaat. Omdat veel sociale huurwoningen jaarlijks opnieuw worden toegewezen aan mensen die een woning achterlaten, heeft de huisvesting van statushouders volgens het instituut wel degelijk gevolgen voor de benodigde nieuwbouw.
Bij ongewijzigd beleid zijn de komende tien jaar ongeveer 340.000 extra woningen nodig door migratie. Daarvan komt naar schatting 235.000 woningen voort uit reguliere migratie en 105.000 uit asielmigratie. Vooral die laatste categorie groeit als aandeel van de totale migratie. De vraag blijft bovendien hoog doordat asielzoekers in opvanglocaties wachten op een woning en jongeren moeite houden om zelfstandige woonruimte te vinden. Op langere termijn kan de woningvraag afnemen als de migratie effectief wordt beperkt, maar tot 2030 blijft de woningnood volgens het EIB aanzienlijk.
De cijfers leidden tot een politiek debat over de voorrang van statushouders op de sociale huurmarkt. Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Elanor Boekholt-O’Sullivan verdedigde in een interview de huidige praktijk. Zij stelde dat statushouders anders langer in azc’s blijven of in duurdere tijdelijke opvang, zoals hotels, moeten worden ondergebracht. Volgens haar moet eerst de opvangcrisis worden opgelost voordat de voorrangsregeling kan verdwijnen.
Een uitspraak van de minister dat starters vaak nog bij hun ouders kunnen wonen, werd door critici en verschillende politici als wereldvreemd en laatdunkend bestempeld. Coalitiepartner VVD reageerde fel en beschuldigde haar ervan te twijfelen aan de afspraak om de voorrang voor statushouders af te schaffen. De auteur van het artikel is uitgesproken kritisch over de minister, haar partij en het migratiebeleid; die politieke oordelen worden niet door het EIB-onderzoek zelf onderbouwd.
Vandaag Inside: Gerard Joling geeft zijn mening over Jutta Leerdam na gezamenlijk optreden in Casa di Beau