Michael Ignatieff roept liberalen wereldwijd op om wakker te worden. 'We hebben genoeg haatpredikanten gehad.'
In dit artikel:
Langs het traject van Boedapest naar Balatonfüred is de aanloop naar de Hongaarse verkiezingen onmiskenbaar: langs het spoor domineren Fidesz-posters het straatbeeld, met angstwekkende boodschappen over vermeende bedreigingen van buitenlandse leiders. Aan het Balatonmeer woont Michael Ignatieff, Canadese academicus, oud-partijleider en voormalig rector van de Central European University, die van dichtbij ziet hoe Orbáns partij het land politiciseert. Ignatieff verblijft er terwijl Hongarije op 12 april beslist of het het illiberale beleid van Viktor Orbán voortzet of overstapt op het alternatief van oppositieleider Péter Magyar van Tisza.
Ignatieff, die jarenlang pleitte voor liberale internationale samenwerking en academische vrijheden verdedigde — hij leidde de CEU tot de gedwongen verhuizing naar Wenen in 2019 — beschouwt de Hongaarse situatie als illustratief voor een bredere terugslag tegen het naoorlogse liberale model. Volgens hem heeft Orbán zichzelf gepositioneerd als de koploper van een ideologische tegenbeweging tegen het liberalisme, en de verkiezingen vormen een toetssteen voor de levensvatbaarheid daarvan. De Fidesz-campagne gebruikt volgens Ignatieff en andere waarnemers surrealistische dreigingen — zoals insinuaties dat de oorlog in Oekraïne naar Hongarije zou overslaan — maar die retoriek speelt in op reële economische angsten, bijvoorbeeld rond verstoringen van de Droezjba-pijpleiding en stijgende levensonderhoudskosten.
Ignatieff waarschuwt dat Hongarije meer is dan een binnenlands verhaal: het fungeert als barometer voor een continentale tendens. Als Orbán faalt, zou dat de claim ondermijnen dat het illiberaal nationalisme onvermijdelijk de toekomst is — een narratief dat ook in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland voet aan de grond heeft gekregen. Tegelijk ziet hij een transnationale link tussen Europese nationalisten en Amerikaanse conservatieven; politici als Marco Rubio en JD Vance ondersteunen expliciet soortgelijke leiders in Europa, wat een soort moderne, conservatieve internationale vormt. Die buitenlandse steun bevestigt hun positie, maar het is volgens Ignatieff twijfelachtig of die hulp daadwerkelijk stemmen oplevert op het platteland.
Historische wortels verklaren volgens Ignatieff waarom Hongarije kwetsbaar is voor autoritaire terugslagen. De autoritaire tradities reiken terug tot vóór het communisme en werden verdiept door de bloedige nasleep van de opstand van 1956. De overgang naar liberale democratie na 1989 bleek moeizamer dan hij ooit had gedacht: staatsgerichte economische macht, cliëntelisme en corruptie maken liberalisme in de praktijk vaak meer een wens dan realiteit.
Als intellectueel reflecteert Ignatieff ook op bredere geopolitieke vraagstukken. Hij erkent dat de rules-based international order is verzwakt — onder meer door Amerikaanse buitenlandse interventies die hij zelf ooit steunde maar waar hij later op terugkwam — en waarschuwt voor wat hij beschrijft als “roofzuchtige” grootmachten die regels vervangen door machtsdynamiek. In zijn recente essays trekt hij parallellen met hedendaagse conflictsituaties en waarschuwt hij dat het gebrek aan effectieve instituten en machtslimieten het risico op onbedoelde escalatie en zelfs nucleair ongeluk vergroot. Hij pleit voor praktische stappen zoals de-escalatie-hotlines tussen grootmachten om ongelukjes en misverstanden te voorkomen.
Tegelijk gelooft Ignatieff dat er mogelijkheden zijn voor tegenwicht. Hij wees op Mark Carneys betoog op het World Economic Forum dat middle powers — landen als Canada, India, Brazilië en de EU-lidstaten — aanzienlijke gezamenlijke marktmacht hebben en via instituten een alternatief kunnen vormen voor een door grootmachten gedomineerde wereld. Dat vergt echter eerlijke inventarisatie: middelmachten moeten hun sterktes benutten (bijvoorbeeld energiebronnen of marktkracht), hun afhankelijkheden herkennen (technologische en defensieve kwetsbaarheden) en hun relaties coördineren.
Persoonlijk blijft Ignatieff gemengd optimistisch. Hij betreurt de tekortkomingen van het liberale project — met name het nalaten om economische ongelijkheid en de concentratie van macht tegen te gaan — maar blijft vasthouden aan het fundamentele belang van liberale instituties die bescherming boden tegen tirannie en individuele emancipatie mogelijk maakten. Zijn hoop is dat de politiek van vijandschap en vijanddenken op termijn uitgewerkt raakt; mensen verlangen volgens hem uiteindelijk naar gemeenschappen waar ze zich thuis en verbonden voelen. Voor hem ligt de opdracht van het liberalisme nu in het herstellen van een politiek gebaseerd op vriendschap en individuele waardigheid, naast praktische institutionele samenwerkingen tussen middenmachten om een meer stabiele, regels-gebaseerde wereldorde te bewaren.