Met pioniers naar expositie over graffiti: 'Het was eigenlijk alleen echt als het illegaal gemaakt was'
In dit artikel:
In museum STRAAT op het NDSM-plein is the ESSENCE te zien, een tentoonstelling die veertig jaar Nederlandse graffitihistorie in kaart brengt aan de hand van materiaal uit de Dutch Graffiti Library. Die collectie is opgebouwd door de tweelingbroers Richard en Marcel van Tiggelen, ex-schrijvers uit de jaren tachtig, en bevat zeldzame objecten zoals een klein beduimeld boekje van Ivar Vičs (Dr. Rat) en foto’s van zijn muurschildering DDT 666 (1978), onlangs gerestaureerd en erkend als cultureel erfgoed. De expositie is niet chronologisch, maar begint bewust bij die vroege pioniers.
Belangrijke figuren uit de Nederlandse scene geven toelichting bij de stukken: Thomas Termaat (Joker), een van de oprichters van United Street Artists (USA), Aileen Middel (Mick La Rock), een van de eerste vrouwelijke schrijvers in Europa, en andere leden van die vroege generatie zoals Jaz, Shoe, Delta, Jezis en Bandi. Zij schetsen hoe graffiti in Nederland ontstond vanuit uiteenlopende achtergronden — punk, voetbalcultuur en kraakpanden — en hoe internationale inspiratiebronnen zoals het fotoboek Subway Art (1984) richting gaven aan stijlen als blockbuster, bubble en wild style. Delta en Shoe breidden dat palet uit met respectievelijk 3D-technieken en calligraffiti, die later wereldwijd navolging kregen.
De tentoonstelling toont niet alleen kunstwerken maar ook gebruiksvoorwerpen en alledaagse relicten: black books, kopietjes die schrijvers als mailart naar anderen stuurden, en winkelhistorie zoals Henxs (Henk Kramer) op de Waterloopleinstand, een belangrijke leverancier van spuitbussen. Verhalen over vroege handel in bussen (waarbij winkels als Kuhlman aanvankelijk spuitbussen achter de toonbank verstopten) geven beeld van de praktische kant van het ontstaan van de scene.
Een cruciaal omslagpunt was Holland Graffiti (1987), een commerciële campagne rond het honderdjarig bestaan van V&D. Termaat en Shoe maakten een metersgrote poster voor de actie; de campagne plaatste graffiti letterlijk tussen de etalages van warenhuizen en op landelijk verspreide V&D-filialen. Volgens de geëxposeerde makers markeerde dit moment de overgang van illegale subcultuur naar mainstreamfenomeen: media-aandacht, composities voor winkels en covers voor tijdschriften volgden, en binnen enkele jaren groeide de scene van een handvol pioniers tot een veel grotere groep schrijvers.
Die wisselwerking tussen illegaliteit en legitimatie loopt als rode draad door de tentoonstelling. Voor de eerste generaties gold illegale uitvoering als de maatstaf van authenticiteit — “graffiti was eigenlijk alleen echt als het illegaal gemaakt was” — terwijl latere generaties experimenteler en meer openstaan voor institutionele erkenning en museale presentatie. Middel vertelt hoe zij zich losmaakte van strikt stijlschrijven en de typografische mogelijkheden van letters ging onderzoeken; dat werk wordt inmiddels door musea opgepikt.
De expositie documenteert ook hoe veel pioniers later in de creatieve industrie terechtkwamen; Termaat bijvoorbeeld richtte het AI-reclamebureau De Franse Kamer op. The ESSENCE loopt tot 30 december en wil zowel een publiek publiek als de scene zelf laten zien waar hedendaagse graffiti vandaan komt en waarom het belang van die geschiedenis groot genoeg is om in museale context bewaard en getoond te worden.