Met name christelijke politici lijden aan feitenresistentie als het over sekswerkers gaat

woensdag, 20 mei 2026 (10:37) - Joop

In dit artikel:

De Tweede Kamer debatteert momenteel over plannen van kabinet-Jetten om de prostitutieregelgeving aan te passen. De belangrijkste voorstellen: de minimumleeftijd voor het verkopen van seksuele diensten verhogen van 18 naar 21 jaar, en een Wetsvoorstel Gemeentelijk Toezicht Seksbedrijven (WGTS) dat gemeenten de bevoegdheid geeft sekswerkers bij naam te registreren. De regering zegt ook te willen werken aan een versterking van de rechtspositie van sekswerkers, maar concrete verbeteringen blijven voorlopig uit.

Fractievoorzitter Mirjam Bikker (CU) speelt een prominente rol in het debat: zij wil de leeftijdsverhoging om jonge vrouwen te beschermen en stelde ook voor klanten van jongere sekswerkers strafbaar te maken. De auteur plaatst dit in een bredere context van religieuze en patriarchale opvattingen die seks buiten het huwelijk stigmatiseren en vaak leiden tot controle van vrouwen, terwijl diezelfde samenlevingen prostitutie doorgaans gedogen zolang die uit het zicht blijft.

Historisch licht het stuk toe hoe Nederland met prostitutie omgaat: in 1911 verbood minister Regout het gelegenheid geven tot prostitutie, maar bordelen werden vaak gedoogd; in 2000 verviel het bordeelverbod en prostitutie werd formeel gelegaliseerd. In de praktijk zetten gemeenten vervolgens strenge regulering en bestemmingsplannen in, waardoor sekswerkers, lokaal en nationaal, vaak beperkt worden in hun beroepsuitoefening en te maken krijgen met sluitingen, handhavingsacties en bureaucratische obstakels. Dat remt ook het doen van aangifte van uitbuiting, omdat sekswerkers vrezen dat hun werkplek wordt gesloten.

De kritiek van de auteur richt zich op twee punten: ten eerste dat maatregelen zoals registratie en leeftijdsverhoging de problemen van kwetsbaarheid en uitbuiting niet wegnemen en sekswerkers juist kwetsbaarder kunnen maken; ten tweede dat religieus getinte moraliteit politici blind maakt voor empirische feiten (“feitenresistentie”, aldus de overleden vakbondssecretaris Sietske Altink). Volgens de tekst zijn de echte knelpunten gebrek aan handhavingscapaciteit tegen mensenhandel, discriminatie (bijvoorbeeld door banken), en regulering die zelfstandigheid en veilig werken in de weg staat.

Als alternatief pleit de auteur voor een rechtengeoriënteerde aanpak: verboden op discriminatie van sekswerkers (toegang tot bankzaken, leningen), het toestaan en faciliteren van zelfstandig thuiswerken, actieve en effectieve opsporing en vervolging van mensenhandelaren en pooiers, en overheidsbescherming voor sekswerkers die uitgebuit worden—zodat zij vrij en veilig hun beroep kunnen uitoefenen. De waarschuwing is dat de voorgestelde overheidstegels en registraties het leven voor sekswerkers eerder moeilijker en gevaarlijker maken dan veiliger. Het online segment van de seksbranche ondervindt volgens de auteur vergelijkbare problemen.