Met het gewelddadig neerslaan van de protesten verliest het Iraanse regime het laatste restje vanzelfsprekend gezag

maandag, 19 januari 2026 (18:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

De recente opstanden in Iran zijn niet simpelweg onderdrukt en voorbij; ze markeren volgens het artikel een fundamentele breuk tussen staat en samenleving. Wat eindigde als lokale onvrede in de Grand Bazaar van Teheran escaleerde binnen dagen tot een nationale uitbarsting van woede, met massale demonstraties — naar schatting tot miljoenen mensen op 8 en 9 januari — in steden die zelden eerder zulke protesten zagen. Demonstranten richtten hun woede op tastbare symbolen van staatsmacht: politiebureaus, Basij-posts en sjiitische gebedshuizen werden aangevallen en soms in brand gestoken; er was geen georganiseerde gewapende opstand, maar wel een woedende verwerping van wat burgers niet langer als ‘van henzelf’ erkennen.

Tegelijk reageerde het regime met hardhandig geweld. Veiligheidstroepen openden met regelmaat het vuur, tienduizenden mensen werden gearresteerd en de dodenstal is hoog maar omstreden: oppositiebronnen spreken van tienduizenden doden, het hoogste leiderschap erkent ‘enkele duizenden’. Tegelijk probeerde het regime verklaringen te gebruiken die de eigen verantwoordelijkheid bagatelliseren. Om communicatie te hinderen sloten de autoriteiten het internet af — een maatregel die volgens schattingen in de eerste dagen honderden miljoenen dollars kostte — en het rechtstreekse bellen met Iran is sterk bemoeilijkt.

De aanleiding van de opstand is niet slechts een enkele maatregel maar een opeenstapeling van verslechterende levensomstandigheden. Hoge inflatie en devaluatie van de munt maakten dagelijks inkomen nauwelijks toereikend; voor veel gezinnen is het schrappen geworden (minder eten, uitgestelde zorg, kinderen van school halen). Structurele problemen zoals luchtvervuiling, waterschaarste en stroomuitval verergeren het gevoel van wanbeheer. Economische ontwrichting raakte ook traditioneel regime‑steunpilaren zoals de Grand Bazaar. Meer dan de helft van de bevolking zou rond of onder de armoedegrens leven; de middenklasse is uitgehold.

Politieke kanalen zijn eveneens dichtgeslibd: verkiezingen verliezen legitimiteit door strenge filtering van kandidaten, hervormingsbeloften klinken leeg en repressie neemt toe—Amnesty telde in 2025 al meer dan duizend executies in de eerste negen maanden. Die combinatie van economische vernieling en politieke afsluiting voedt een generatie die via VPN’s en omwegen nog contact met de buitenwereld zoekt, maar op straat steeds minder ruimte voelt. In etnische randgebieden — Koerden, Baluchi’s, Arabieren, Azeri’s — zijn uitsluiting en harde controle al langer dagelijkse realiteit; de recente protesten laten zien dat dat gevoel zich nu uitbreidt naar grote steden.

Er zijn aanwijzingen van barsten binnen veiligheidsapparaten: anonieme video’s met kritische uniformdragers circuleren en er was een recente hoge diplomatieke overloop naar asiel in Europa. Regionale en internationale ontwikkelingen verzwakken Teherans imago: strategische verliezen in Syrië, Israëlische aanvallen en zelfs Amerikaanse bombardementen op nucleaire faciliteiten, plus het terugkeren van sancties via de VN-snapback, hebben de machtspolitiek aangetast. Amerikaanse retoriek (met name van Donald Trump) wisselt tussen suggesties van regimeverandering en bluf; Golfstaten en sommige regionale bondgenoten duwen juist op behoud van de status quo uit angst voor bredere instabiliteit en economische ontwrichting.

De regering probeerde de onrust te sussen met een symbolische financiële maatregel — een kleine, tijdelijke uitkering — maar dat bracht alleen de fragiliteit van de staatskas aan het licht en verandert niets aan de monetaire erosie. De kernvraag voor de toekomst is welke route Teheran kiest: grote concessies aan het buitenland (teruggave van verrijkt uranium, inperking van raketprogramma’s, beperken van milities) die de status van het regime ingrijpend kunnen veranderen; of verder hardere repressie die de breuk tussen staat en samenleving verdiept en het risico op langdurig, mogelijk grootschalig geweld vergroot. Het artikel waarschuwt expliciet dat steeds harder geweld de samenleving kan dwingen geweld als logische reactie te zien — een patroon dat in Syrië al tot catastrofe leidde.

Samengevat: de straat is niet meer alleen een uitlaatklep voor economische frustratie maar een podium geworden waarop een groot deel van de bevolking het gezag afwijst. Het regime heeft nog steeds vuurkracht en controlemiddelen, maar steeds minder legitimiteit en economische manoeuvreerruimte. Daarmee blijven de protesten, ook als ze tijdelijk zijn verstomd, een breuk met mogelijk blijvende gevolgen voor Irans binnenlandse stabiliteit en positie in de regio.