Met 'Alles lekt' probeert Luuk Vulkers greep te krijgen op zijn smetvrees
In dit artikel:
Luuk Vulkers gebruikt in Alles lekt zijn eigen smetvrees als uitgangspunt voor een breed, persoonlijk onderzoek naar hoe lichamen en angsten elkaar doordringen. De bespreking van dit boek verscheen op 3 juni 2026 (uit nr. 23). Wat bijblijft uit Vulkers’ registers van gore anekdotes en klinische observaties is een eenvoudig maar onheilspellend feit: na huidcontact kun je andermans bacteriën overnemen en je lichaamsgeur veranderen — een verandering waar douchen niets aan verandert. Dat voorbeeld illustreert het centrale thema: onze schijnbare grenzen zijn poreus en onbetrouwbaar.
Vulkers beschrijft hoe die poreusheid zijn leven beheerst. Een simpele pleister in een douchehokje kan hem doen wegzinken in eindeloze risicoanalyses en dwanghandelingen. Zijn smetvrees functioneert niet alleen als medische klacht maar ook als gespleten moreel en cultureel vraagstuk: jarenlang meegedragen beelden van hygiëne, klasse en vooral homofobe stigmatisering beheren zijn angst. De diepgewortelde vrees voor een hiv-besmetting verbindt zijn dwangstoornis met ideeën over besmetting en onreinheid die hij deels zelf in stand houdt.
Therapie — vooral exposure-behandelingen — en intellectuele kaders helpen Vulkers niet volledig van zijn paniek te bevrijden. Hij probeert Sontags pleidooi om ziekte te ontdoen van metaforen toe te passen door zijn angsten als biologische feiten te benaderen en nieuwe neurale paden aan te leggen, maar merkt dat betekenisgeving ook functioneel kan zijn: verhalen en culturele referenties geven houvast en maken de ervaring leefbaar. Judith Butlers opmerking dat we elkaar onvolledig maken (parafrase) fungeert als tegenhanger: juist die verwevenheid maakt intimiteit en herstel mogelijk, maar zijn dwang sluit hem daar vaak van uit.
De kracht van Alles lekt ligt volgens de recensent vooral in de momenten dat Vulkers dicht bij zijn geleefde ervaring blijft; zijn worstelingen vertellen meer over het mens-zijn dan brede maatschappelijke diagnoses over een 'OCD-maatschappij'. Op andere momenten dwaalt het boek naar literaire en kunsthistorische overwegingen, zonder dat die altijd even overtuigend verbinden. Het eindigt zonder strakke conclusie, wat de lezer met een onaf gevoel achterlaat — maar ook met iets van ruimte en empathie: ruimte voor de mensen die aan de rand van aanraking en angst leven.