Met 6053 woningen bouwt Amsterdam eindelijk weer meer in 2025, grootste stijging in middenhuur
In dit artikel:
In 2025 is in Amsterdam de bouw gestart van 6.053 permanente woningen (en 660 tijdelijke), waarmee na enkele magere jaren de neerwaartse trend is gekeerd. De gemeente wil jaarlijks 7.500 woningen laten beginnen; dat doel bleef in 2023 en 2024 steken op respectievelijk 5.154 en 4.541. De opleving dit jaar komt vooral uit het middensegment: mensen die te veel verdienen voor sociale huur maar niet genoeg hebben om te kopen of de vrije sector te betalen.
Wethouder Woningbouw Steven van Weyenberg (D66) wijst de Wet Betaalbare Huur als belangrijke verklaarder: die gaf investeerders duidelijkheid, waardoor jarenlang vastzittende projecten konden starten. Tegelijk is een verkoopgolf onder particuliere verhuurders ontstaan doordat rendementen teruglopen; Van Weyenberg ziet dat als een correctie op eerdere aankopen en verwacht dat die golf nu afneemt, waardoor in 2026 het streefaantal weer haalbaar zou moeten zijn.
De coalitie (PvdA, GroenLinks, D66) wil jaarlijks 3.000 middenhuur- en betaalbare koopwoningen toevoegen. Waar dat beleid in 2023–2024 gezamenlijk slechts 1.320 opleverde, kwam 2025 uit op 2.001 woningen in dat segment, waaronder 357 koopwoningen tot maximaal €405.000. Middenhuur wordt doorgaans voor 25 jaar gereguleerd; volgens de wethouder is die termijn langer dan elders maar noodzakelijk om projecten financieel rond te krijgen, omdat een deel later alsnog naar de vrije sector doorschuift.
Een groot knelpunt is echter netcongestie: het elektriciteitsnet zit vol, waardoor nieuwe woningen en voorzieningen mogelijk niet aangesloten kunnen worden. Hoewel nu nog weinig projecten direct stilvallen, dringt Van Weyenberg aan op forse rijksinvesteringen in onderstations en op het blijven prioriteren van woningen bij netcapaciteit.
Tussen 2022 en 2025 begonnen in totaal 24.149 woningen; de verdeling was 41% sociale huur, 23% middenhuur/ betaalbare koop en 37% vrije sector — meer duurdere woningen dan het huidige 40-40-20-streefbeeld, deels door eerder goedgekeurde projecten en een groeiend aandeel transformaties van kantoren naar woningen (met andere verhoudingen). Voor het volgende college signaleert Van Weyenberg moeilijke keuzes: de geplande woningen tot 2030 zijn te financieren, maar nieuwbouw bovenop die plannen vraagt om extra geld, aanpassing van bouwverhoudingen of forse bezuinigingen op projecten.