Meeste gemeenten lopen ver achter met huizen voor statushouders
In dit artikel:
Gemeenten lopen flink achter met het huisvesten van vluchtelingen die een verblijfsvergunning hebben gekregen. Volgens een analyse van ANP van maandelijkse cijfers van het ministerie van Binnenlandse Zaken moeten gemeenten volgens de wet nog in totaal 12.049 statushouders een woonplek aanbieden. Het kabinet bepaalt elk halfjaar hoeveel gemeenten moeten opnemen; voor het eerste halfjaar van 2026 is de uiterste datum 1 juli.
Amsterdam heeft de grootste opgave en de grootste achterstand: de hoofdstad zou vóór 1 juli 2.286 statushouders moeten plaatsen maar heeft er tot nu toe 641 gehuisvest, een tekort van 1.645 personen. Andere gemeenten met grote tekorten zijn Eemsdelta (363), Amersfoort (275), Tilburg (244), Den Haag (242) en Utrecht (219). Eemsdelta stelt dat er een rijksafspraak is om vrijstelling te geven vanwege de versterkingsoperatie na aardbevingen in die regio.
Van de 342 gemeenten voldoen er slechts 62 aan de plaatsingsplicht; 147 gemeenten hebben een achterstand van 25 personen of meer. Het uitblijven van huisvesting is een belangrijke oorzaak van overvolle asielzoekerscentra: ongeveer een kwart van de bewoners in AZC’s — zo’n 19.000 mensen — zijn statushouders die wachten op een woning. Daarnaast wordt gewezen op niet-naleving van de spreidingswet, die bepaalt hoeveel asielzoekers elke gemeente moet opnemen.
De knelpunten hebben directe gevolgen: het aanmeldcentrum in Ter Apel weigert al ruim twee weken mensen aan de poort en asielzoekers worden noodgedwongen in sobere locaties zoals sporthallen opgevangen. Provincies houden toezicht en kunnen ingrijpen; Zuid-Holland kondigde aan in april 2027 zelf statushouders te gaan toewijzen in vier gemeenten die structureel tekortschieten. Als context: statushouders zijn vluchtelingen met een verblijfsvergunning en de landelijke spanningen over huisvesting dwingen steeds vaker tot tijdelijke, dure oplossingen die lokaal op weerstand stuiten.