'Meer kiezers? Zet bij verkiezingen de burgemeester op het stembiljet'
In dit artikel:
De historicus Kevin Hoogeveen pleit ervoor om de functie van burgemeester nadrukkelijker onderdeel te maken van gemeenteraadsverkiezingen om zo de opkomst te verhogen. Zijn kernvoorstel: koppel de ambtstermijn van burgemeesters aan de vierjaarlijkse raadsverkiezingen en maak de burgemeester expliciet inzet van de politieke strijd in gemeenten. Nu worden burgemeesters volgens Hoogeveen via vertrouwelijke sollicitatieprocedures op ogenschijnlijk willekeurige momenten benoemd — formeel door de Kroon, maar in de praktijk bepaald door de gemeenteraad die vaak gekozen is door minder dan de helft van de kiesgerechtigden — waardoor veel kiezers het gevoel hebben dat hun stem weinig effect sorteert.
Hoogeveen wijst erop dat kleine verbeteringen in opkomstcampagnes weinig rendement opleveren; ludieke prikkels (zoals een abseilende burgemeester of gratis snacks) zijn onvoldoende om structureel meer kiezers naar de stembus te krijgen. In plaats daarvan stelt hij een institutionele ingreep voor: maak van de burgemeestersvraag een vast en zichtbaar onderdeel van de verkiezingsstrijd, zodat burgers bij de stembus direct waardering of afkeuring over herkenbare bestuursgezichten kunnen uitspreken. Hij noemt daarbij expliciet voorbeelden als Femke Halsema (Amsterdam) en Dijksma (Utrecht) als beeldbepalende kopstukken waarover kiezers zich een mening vormen.
Als inspiratie haalt Hoogeveen Frankrijk aan. Daar zijn lokale machtsoverdrachten en kiesstelsels zo ingericht dat kiezers veel directer invloed hebben op de samenstelling van het college dat de burgemeester kiest; grote steden kregen recent hervormingen waardoor kiezers ook daar meer direct inbreng hebben. De recente gemeenteraadsverkiezingen in Parijs (15 en 22 maart) fungeerden volgens hem als een referendum over vertrekkend burgemeester Anne Hidalgo en haar ingrepen in stadsinrichting en verkeer. Hij noteert dat de opkomst in grote Franse steden dit jaar — ondanks dat die verkiezingen relatief laag in historisch perspectief waren — beduidend hoger lag dan in vergelijkbare Nederlandse steden: in Parijs ruim 58–61% (tweede ronde hoger), in Marseille rond 52–55% en in Lyon ongeveer 65% in beide rondes. Zulke cijfers liggen doorgaans 10–20 procentpunten boven Nederlandse stadsopkomsten.
Hoogeveen benadrukt dat competitie essentieel is: waar verkiezingen niet competitief zijn — zoals in het Normandische Gournay-en-Bray, waar één gecombineerde lijst de kiezer weinig keuze gaf — daalde de opkomst sterk (naar circa 40%). Dat illustreert voor hem dat kiezers vooral komen als ze denken dat hun stem iets verandert aan de machtsverhoudingen. Ook wijst hij op het vertrouwen dat Fransen in lokale politiek hebben, wat bijdraagt aan mobilisatie.
Hij erkent zelf dat zijn voorstel geen wondermiddel is en dat er structurele oorzaken van lage opkomst (zoals ervaringsgebrek van kiezers, beleving van onbereikbaarheid van bestuur, en dienstverlening) aangepakt moeten worden. Toch meent hij dat het democratisch inzichtelijker maken van wie er feitelijk aan de knoppen zit — door de burgemeestersvraag zichtbaar te maken tijdens verkiezingen — een relatief directe manier is om betrokkenheid te vergroten. De hervorming zou ingewikkeld zijn en politiek het nodige vergen, maar Hoogeveen hoopt dat door het debat te openen er tenminste beweging komt; burgers zullen volgens hem harder gaan stemmen als ze daadwerkelijk meer invloed voelen op lokale machtsverdeling.
Kortom: Hoogeveen wil van burgemeesters een expliciet verkiezingsitem maken, gekoppeld aan de vierjaarcylcus, met als doel meer keuze, zichtbaarheid en daarmee hogere opkomst bij gemeentelijke verkiezingen — geïnspireerd op elementen uit het Franse systeem en met aandacht voor de praktische en politieke bezwaren die zo'n hervorming met zich meebrengt.