Meer havisten en vwo'ers stoppen met middelbare school om naar mbo te gaan
In dit artikel:
Steeds meer havo- en vwo-leerlingen haken vroegtijdig af van de middelbare school om op het mbo verder te gaan. Uit cijfers van de Onderwijsinspectie stijgt het aandeel mbo-starters zonder havo-/vwo-diploma van 3,3 procent in schooljaar 2015/2016 naar 6,4 procent in 2024/2025 — ruim tienduizend jongeren per jaar. De overstap is vooral populair onder leerlingen in havo‑4: daar switcht ongeveer één op de tien.
Onderzoekers van het Kohnstamm Instituut (regio Rijnmond) verdeelden overstappers in groepen met verschillende motieven. De eerste groep verlaat havo/vwo omdat gedrags- of mentale problemen, of een moeilijke thuissituatie hen beletten het niveau vol te houden; soms worden ze door school niet (meer) opgevangen. Een tweede groep kiest bewust voor het beroepsonderwijs: zij weten precies welk vakmanschap ze willen leren (bijvoorbeeld botenbouw, elektrotechniek, detailhandel) en willen zo snel mogelijk praktijk-gericht aan het werk. Een derde groep heeft simpelweg de havo onderschat; die leerlingen zouden volgens studentenvakbond JOBmbo misschien beter niet naar de havo zijn gestuurd.
Persoonlijke verhalen illustreren de verschillen. Yentl Janssen (22) koos vanuit 3 havo vrijwillig voor mbo-chemie omdat ze meer scheikunde wilde doen; haar school vond haar “te slim” voor het mbo, een vooroordeel dat zij vaak tegenkomt. Anderen ervaren juist dat een voortgezet‑schoolplaats niet bij hen paste en zien de mbo-keuze als herstel.
De Onderwijsinspectie waarschuwt echter dat overstappen geen garantie is voor succes. Van de voormalige havo‑4‑overstappers is vijf jaar na de overstap 18 procent zonder mbo‑diploma uitgevallen. Ter vergelijking: van mbo‑studenten met een vmbo‑t‑achtergrond is dat 10 procent, en van degenen die al een havodiploma hebben 9 procent. De inspectie pleit voor “passende begeleiding” van zowel voortgezet onderwijs als mbo.
Knelpunten die genoemd worden zijn te weinig afstemming tussen scholen, onduidelijke vrijstellingen en programma’s die niet aansluiten op eerder verworven kennis. JOBmbo‑voorzitter Maurits Brus benadrukt dat betere samenwerking en erkenning van voorkennis nodig zijn zodat het mbo weet welke bagage een leerling meebrengt. De MBO Raad ziet de instroom van havisten en vwo’ers als positief en wijst op toegenomen zichtbaarheid van het mbo, maar noemt de aantallen nog relatief klein.
Kortom: steeds meer leerlingen vinden via het mbo een passende route, vaak met goed resultaat, maar zonder betere voorlichting, doorlopende begeleiding en erkenning van eerder geleerd werk blijft de kans op uitval fors — vooral bij wie vroeg uit de havo stapt.