Meditatie: Zware stenen
In dit artikel:
De tekst begint met Mattheüs 28:6a — „Hij is hier niet; want Hij is opgestaan” — en gebruikt het paasgebeuren als leidraad voor een geestelijke overdenking. De vrouwen die vroeg naar het graf gingen, hadden specerijen bij zich; die worden in de beschouwing gelezen als symbolen: mirre voor berouwvolle tranen en wierook voor het gebed. Een zoeker naar Christus trekt niet leeg of ongevoelig uit, maar komt met verdriet over zonde en met aanhoudend gebed.
Tegelijkertijd ontmoet die zoeker hinder: zware „stenen” die het hart belasten. De schrijver vergelijkt dat met de last van zonde en met de eis van de Wet, die volmaakte betaling en gehoorzaamheid verlangt. Satan werpt zulke stenen van bezwaar op wie Christus zoekt; die maken de tocht kromgeslagen en moeizaam. De slottoon is ernstig: mens noch engel kan aan de eis van de Wet voldoen. De preekteksten zijn toegeschreven aan ds. C. van den Oever, predikant te Rotterdam, uit de bundel „Feeststoffen” (1859), en roepen op tot afhankelijkheid van Gods macht om die „stenen” weg te nemen.