Meditatie: Volle zaligheid
In dit artikel:
Augustinus, bisschop van Hippo, schetst in De stad Gods (426) het beeld van de eeuwige gelukzaligheid voor hen die "in Gods huis" wonen: een bestaan zonder kwaad en zonder verborgenheid, waarin alle schepselen onafgebroken God loven. In het hiernamaals zullen lichaam en ziel niet langer onderhevig zijn aan aardse noodzaak; ook de innerlijke leden van het onvergankelijke lichaam zullen openbaarder worden en gezamenlijk deelhebben aan de lofzang. Het verstand wordt door een gedragskracht van schoonheid aangespoord tot aanbidding van de Schepper. Hoe de bewegingen en het functioneren van die verheerlijkte lichamen precies zullen zijn, durft hij niet te beschrijven — het overstijgt menselijke verbeelding — maar wel is zeker dat er niets onbetamelijks of ongeschikts zal voorkomen. De passage reflecteert Augustinus’ christelijke eschatologie: een toekomstige, volkomen en eeuwige gemeenschap met God waarin gebrokenheid en geheimen opgelost zijn en alles gericht is op Gods lof.