Marreke (82) en haar Hans (83) zijn 'verzamelgekken': 'Ik was die Rietveldkleuren zo zat'

dinsdag, 14 april 2026 (15:02) - Het Parool

In dit artikel:

In een royaal jarenzeventig‑pand van circa 200 m² in Bos en Lommer, met uitzicht op de Erasmusgracht en het Erasmuspark, wonen Marreke Prins (82) en Hans Oudmaijer (83). Het tweetal, dat elkaar vijftig jaar geleden ontmoette en ruim 28 jaar geleden samen het huis kocht, noemt zichzelf openlijk verzamelaarsspecialisten: hun woning is tot in de kleinste hoekjes volgepakt met objecten uit een leven lang verzamelen.

Het huis, ooit gebouwd als praktijkwoning met maar één slaapkamer, bleek voor hen juist ideaal: het biedt twee afzonderlijke leefzones waardoor ze veel privacy houden. Ze slapen in één bed, maar overdag leiden ze grotendeels gescheiden levens — ontbijt en lunch apart, avondeten samen wanneer Hans kookt. Prins werkte jarenlang in de museumwinkel van het Stedelijk Museum; Oudmaijer werkte vanaf 1970 tot het faillissement in 1999 bij boekhandel Allert de Lange. Die achtergrond verklaart deels hun verzamelpassies: Oudmaijer heeft een enorme boekenverzameling, Prins bezit grote series glaswerk, serviezen en vintage sieraden.

Het interieur is tot de nok toe benut: boeken, miniatuurschepen, ex‑voto‑plaatjes, kandelaars, Chinese theepotten en textiel stapelen zich op; zelfs bonbondozen en drankflessen zijn gecamoufleerd als boeken. Volgens Oudmaijer gaat een selectie bijzondere theepotten naar het Rijksmuseum, en een deel van Prins’ armbanden is al naar het Kunstmuseum Den Haag gegaan. Veel spullen zijn tweedehands — Hans’ kant van het huis heeft een brocante‑sfeer, Prins’ zijde oogt moderner — en de twee bewaarden marktaanwinsten en rommelmarkttrucs als onderdeel van hun verzamelroutine.

Marreke erkent dat de grens is bereikt: er is letterlijk geen ruimte meer over behalve het plafond. Ze waarschuwt anderen niet je huis te verbouwen rondom een verzameling en zegt liever klein te wonen of spullen weg te doen. Er is ook een praktische onzekerheid: het koppel heeft geen kinderen, en wat er uiteindelijk met hun collectie gebeurt is onduidelijk. Prins reflecteert nuchter op de vergankelijkheid van bezit; in gedachten vraagt ze zich af wat er zou overblijven als alles in één keer verloren ging — en constateert dat ze weinig mist.

De sfeer van het verhaal is liefdevol eigenzinnig: twee ouderen die hun levenswijze en verzameldrang hebben vormgegeven in een huis dat tegelijk museum, voorraadkast en persoonlijk archief is. Hun leefstijl laat zien hoe verzamelen identiteitsvorming en dagelijkse rituelen kan bepalen, maar ook logistieke en emotionele vragen oproept over nalatenschap en ruimte.