Marjolein Moorman (Pro): 'Ik heb er jaren niet over gesproken, maar ik heb een enorme gevoeligheid voor financiële problemen'
In dit artikel:
Tijdens een besloten bijeenkomst toen ze nog wethouder in Amsterdam was, brak Marjolein Moorman het taboe rondom schulden door haar eigen verleden te delen met een groep moeders die daarmee worstelde. De openheid bracht herkenning en ontlading: de vrouwen voelden minder schaamte en beseften dat dit iedereen kan overkomen. Voor Moorman zelf was het een lang verborgen thema: na het vroegtijdig overlijden van beide ouders erfde zij als student met haar broers een schuld van ongeveer honderdduizend gulden. Dankzij een gelukkige combinatie van personeelsopties van haar moeder en coulante afspraken met de bank kon die last later worden afbetaald, maar de ervaring heeft blijvende invloed op haar gevoeligheid voor financiële stress en het stigma rond armoede.
Moorman (1974) verliet in oktober vorig jaar het Amsterdamse stadsbestuur en werd met ruim 150.000 voorkeursstemmen Kamerlid voor de fusiepartij GroenLinks–PvdA, die straks officieel de naam Progressief Nederland krijgt. Zij is vicefractievoorzitter en spreekt in de Kamer over onderwijs, emancipatie en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid — een portefeuille waarin ze zich bezighoudt met wijken met meervoudige problemen. Haar betrokkenheid bij de partijfusie is groot: zij en collega Jesse Klaver werkten mee aan de naamkeuze en benadrukken een toekomstgerichte, progressieve signatuur, ook al leverde dat intern kritiek op omdat termen als ‘rood’ of ‘groen’ ontbreken.
In de praktijk zoekt Moorman naar een balans tussen krachtige overheid en lokale zeggenschap. Tijdens een bijeenkomst in Groningen-Noord sprak ze met bewoners en hulpverleners over De Hoogte, een wijk met veel armoede en wantrouwen richting instanties. Bewoners noemen ‘interventiemoeheid’: al die ingrepen door buitenstaanders werken niet als ze geen aansluiting vinden bij het dagelijks leven en de angsten van bewoners, zoals verlies van uitkeringen. Moorman erkent die vermoeidheid en waarschuwt dat beleid niet een systeemdoel op zichzelf mag worden — een les die door het toeslagenschandaal extra urgent is geworden. Tegelijk blijft zij overtuigd van de noodzaak van een goed functionerende overheid om ongelijkheid en kansenongelijkheid aan te pakken.
Ideologisch plaatst Moorman zichzelf binnen een sociaal-democratische traditie, maar ze is kritisch op fouten uit het verleden: de marktgerichte keuzes van de jaren negentig noemt ze deels ingegeven door machtsdenken. Ze zegt niet bang te zijn voor macht als middel om idealen te realiseren, zolang die macht niet het doel vervangt. Die overtuiging voedt ook haar reactie op vertrekkende PvdA-leden die de fusie afwijzen; zij begrijpt hun zorgen, maar gelooft dat sociaal-democratische waarden behouden en actief verdedigd kunnen worden binnen de nieuwe partij.
Privé vertelt Moorman hoe haar jeugd in het welgestelde Wassenaar aan de buitenkant contrasteerde met haar arbeidersachtergrond thuis, en hoe die ervaring haar politieke inzet heeft gevormd: geld betekent vrijheid en gebrek daaraan beperkt keuzes en toekomstperspectieven. Haar persoonlijke geschiedenis — verlies van ouders, financiële onzekerheid en het blijven voelen van die kwetsbaarheid — motiveert haar om wantrouwen in de overheid te bestrijden en beleid dichter bij mensen te laten aansluiten. Over mogelijke toekomstige leidersrollen zegt ze terughoudend: ze is bereid om een stap te zetten als die concreet bijdraagt aan het verwezenlijken van haar idealen, maar ziet ambitie vooral als middel, niet doel.
De Oranjezomer: Wat is het gekste waar Victor Vlam ooit aan heeft gelikt? ‘Hoe heet ‘ie ook alweer?!’