Marja Pruis bereikt de pensioengerechtigde leeftijd: 'Ik wil niet tuinieren, ik wil niet genieten'
In dit artikel:
Marja Pruis gaat met pensioen en merkt dat de veelbesproken vrijheid die daarbij hoort haar vooral angst aanjaagt. In plaats van uit te kijken naar reizen, tuinieren of meer vrije tijd, vreest ze het wegvallen van haar werk: juist daarin vond ze richting, betekenis, sociale contacten en een manier om samen met anderen iets tot stand te brengen.
Die ambivalente gevoelens brengen haar terug naar de zomer van 1987 op Curaçao, toen haar vader met pensioen ging. Ze haalde hem op zijn laatste werkdag op bij de bank waar hij zijn hele loopbaan had gewerkt. Hij gooide demonstratief de inhoud van zijn archiefmappen weg en zei dat die niet meer nodig waren. Tijdens het afscheidsfeest zag Pruis hoe hij zijn vertrouwde rol achter zich liet. Het beeld van die papieren in de prullenbak is haar bijgebleven als het moment waarop een werkend leven abrupt lijkt te eindigen.
Pruis herkent zich niet volledig in haar vader, die na zijn pensioen meer ging reizen. Haar eigen werk als schrijver en redacteur bij De Groene Amsterdammer is sterk verweven geraakt met haar identiteit. Ze vraagt zich af of haar paniek voortkomt uit arrogantie, overspannenheid of de angst dat anderen haar plaats willen laten innemen. Hoewel mensen om haar heen benadrukken dat ze gewoon kan blijven schrijven, weet ze dat haar redacteurschap meer omvatte dan alleen teksten produceren: het was een dagelijks verband met collega’s, deadlines, gesprekken en een gedeeld doel.
Om te begrijpen waarom werken zo belangrijk voor haar is geworden, kijkt Pruis terug op haar verschillende banen. Als jonge vakantiekracht werkte ze bij de bank van haar vader, waar ze kantoorwerk combineerde met lezen, studeren en haar eerste kennismaking met het professionele leven. Later werkte ze bij een overheidsinstelling in Den Haag. Ze droeg er de kleding van een ambtenaar, leerde dossiers kritisch te beoordelen en ontdekte hoe een organisatie functioneert. Tegelijk verveelde ze zich er en keek ze voortdurend naar de klok. Ze wilde schrijven, maar wist nog niet hoe ze dat verlangen in praktijk moest brengen.
Het beslissende moment kwam toen Martin van Amerongen haar belde voor De Groene Amsterdammer. Achteraf werd haar overstap soms voorgesteld als een bevrijding uit een soort gevangenis, maar Pruis vindt dat beeld te simpel. Ook haar eerdere banen en de mensen die ze daar leerde kennen, hebben haar gevormd. Werk was niet alleen een middel om ergens anders te komen, maar gaf haar een plaats in de wereld en een gevoel van verbondenheid.
Daarbij verwijst ze naar de socioloog Richard Sennett, die onderscheid maakt tussen arbeid om in leven te blijven, werk dat iets blijvends voortbrengt en een loopbaan waarin iemand zichzelf kan ontplooien. Volgens Sennett kan ieder soort werk betekenis geven, zeker wanneer mensen ergens langere tijd werken, collega’s leren kennen en trots kunnen ontlenen aan wat ze doen. Pruis verbindt dit met Hannah Arendts onderscheid tussen een contemplatief en een actief leven. Het hoogste niveau is volgens Arendt het gezamenlijke handelen: samen met anderen invloed uitoefenen op de wereld en de samenleving.
Ook het werk van socioloog Erving Goffman helpt haar haar gevoelens te duiden. Mensen spelen volgens hem verschillende rollen, afhankelijk van de omgeving waarin ze zich bevinden. Op het werk ben je bijvoorbeeld redacteur, leraar of ambtenaar; thuis ben je iemand anders. Die scheiding tussen het publieke ‘frontstage’ en het private ‘backstage’ kan bevrijdend werken. Op het werk hoef je niet je hele persoonlijkheid mee te brengen: je bent vervangbaar, maar weet wel wat er van je wordt verwacht en hoe de omgeving werkt.
Juist collega’s vormen daarin een bijzondere band. Ze zijn geen familie en meestal ook niet zomaar vrienden, maar werken samen aan een concrete taak. Er hoeft niet voortdurend te worden gevraagd hoe het werkelijk met iemand gaat; een gezamenlijk dossier, plan of artikel vormt al een verbinding. Voor Pruis was dat bij De Groene Amsterdammer bijzonder sterk. De redactie, met haar relatief kleine groep medewerkers, werkte samen aan een politiek en cultureel project en probeerde de wereld in beweging te krijgen. Dat was precies het soort gezamenlijk handelen waarvan ze ooit droomde.
Toch beseft Pruis dat ze haar werkende bestaan misschien te veel verheerlijkt. Ze weet dat ze bevoorrecht is geweest: het werk dat ze wilde doen sloot vrijwel naadloos aan bij haar talenten en belangstelling. Zonder de druk van deadlines en collega’s komt er bij haar bovendien minder vanzelfsprekend iets tot stand. Haar pensioen dwingt haar daarom niet alleen afscheid te nemen van een baan, maar ook na te denken over de vraag wie ze is wanneer de institutionele rol, de routine en het gezamenlijke doel wegvallen. Ze hoopt dat haar liefde voor schrijven blijft, maar weet nog niet hoe ze haar vrijheid moet omarmen zonder het werk te verliezen waarin ze zich het meest vrij voelde.
Vandaag Inside: Chris Woerts pleit In de Wandelgangen voor ingrijpende verandering in Nederlandse Eredivisie