Marco (30) uit Assen telt voor het grootste Nederlandse insectenonderzoek ooit. 'Deze is makkelijk te herkennen'

maandag, 4 mei 2026 (08:59) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

EIS Kenniscentrum Insecten voert in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de grootste landelijke telling van bestuivers ooit uit: vijfmaal per jaar op 150 locaties, doorlopend tot 2030. Doel is systematisch kaart te brengen hoe bijen en zweefvliegen in Nederland verspreid zijn en hoe hun aantallen zich ontwikkelen; voor die taak zijn alleen professionele tellers aangesteld omdat er tot honderden soorten nauwkeurig van elkaar onderscheiden moeten worden (ongeveer 350 bijensoorten en 320 zweefvliegsoorten).

Marco Tanis (30) van ecologisch bureau ATKB is de teller voor Groningen en Drenthe en loopt vaste routes van telkens drie keer 300 meter over uiteenlopende terreinen: van kwelders en dijken bij Usquert tot het Drents‑Friese Wold en akkerlanden rond Godlinze, Gasselternijveen en Delfzijl. Tijdens een teldag op het erf van akkerbouwer Pieter Tako Bierema (1847) gebruikte Tanis een vlindernet en loep om exemplaren te bepalen: kleine zweefvliegen zoals het weidedoflijfje, algemene soorten als honingbij en pendelvlieg, maar ook kusterse en zeldzame soorten kunnen op plekken als deze voorkomen, bijvoorbeeld de moshommel of kustvlekoog. Soms levert kaal akkerland nauwelijks waarnemingen op; andere keren verrassen bloemrijke randen en ingezaaide kruidenstroken met veel leven — iets waar de boer in dit geval extra aandacht aan wil geven.

Om toevalseffecten te reduceren worden de steekproeven herhaald en zijn de meetlocaties willekeurig gekozen. Dat moet betrouwbare, vergelijkbare data opleveren, iets wat volgens Tanis nog niet eerder op nationale schaal gestandaardiseerd is gedaan; bestaande kennis kwam veelal uit losse, langdurige telreeksen per gebied. De veldwerker zegt begrip te hebben voor kritiek dat langdurige monitoring soms wordt gezien als uitstel van harde beschermingsmaatregelen, maar benadrukt dat robuuste, landelijke data essentieel zijn om effectieve beslissingen te kunnen nemen.

Praktische kanttekeningen: alleen vakmensen tellen omdat bepaalde soorten lastig uit elkaar te houden zijn; tijdens inventarisaties worden vangsten soms kort gehuisvest voor determinatie en daarna vrijgelaten — in één geval herkende Tanis na vertrek alsnog een viltvlekzandbij en liet het insect gaan. De tellingen zullen naar verwachting nieuwe, gestandaardiseerde inzichten opleveren over de staat van bestuivers in zowel agrarische gebieden als kust- en natuurterreinen, en zo informatie verschaffen die beleidsmakers en natuurbeheerders kunnen gebruiken.