'Macca' van Arie Storm lijkt een illustratie van de eeuwige discussie over ironie versus oprechtheid
In dit artikel:
Arie Storm bouwt in zijn nieuwe roman verder op het verteluniversum rond Tom van Santen, een dertigjarige alter ego die hardnekkig beweert niets te verzinnen maar alleen nauwgezet registreert wat hij meemaakt. De roman, besproken in een recensie verschenen op 15 april 2026, zet de bekende discussie over ironie tegenover oprechtheid centraal: waar sommige hedendaagse schrijvers (zoals in een recent essay van P.F. Thomése genoemd) kiezen voor directe emotionele eerlijkheid, is Storm duidelijk een categorische ironicus, verweven met invloeden van Gerard Reve.
Het plot is kluchtig en episodisch: Tom probeert gitaar te leren, krijgt ruzie met een onderbuurman, reist met zijn vrouw Fiona per Eurostar naar Londen en botst daar onverwacht op Paul McCartney, die zelfs een boek leest dat Fiona redigeerde. Andere terugkerende figuren uit eerdere boeken – onder meer Julia Vis en Fiona’s broer Pimmetje – duiken op, en de verwikkelingen leiden via rivaliteit, afluisteren en vermeend plagiaat naar een climax waarin Tom het podium deelt met McCartney. Hoewel die gebeurtenissen op papier onwaarschijnlijk en anekdotisch ogen, blijkt in de uitvoering veel van de charme te zitten.
De kracht van Storm ligt volgens de recensent in zijn minutieuze, ironische registreerstijl: Tom’s ontwapenende, ogenschijnlijk naïeve manier van vertellen werkt als een schild dat hem alles toelaat, van stapeling van clichés tot eindeloze gedachte-associaties. Juist die houding schept voortdurend spanning tussen een ironische laag en momenten die onverwacht authentiek aanvoelen — bijvoorbeeld bij de sfeerschetsen van Londen of bij de metafoor van het gitaarspelen, die symbool kan staan voor een verlangen naar directe beleving buiten de steeds voorkomende literaire zelfreflectie.
Tegelijk valt de stijl soms door zijn eigen gewicht: herhalingen, overmatige recapitulerende passages (“ik, Tom van Santen dus”) en een neiging tot over-explicatie maken de roman op onderdelen stroperig. Wat als ontwapenende ironie bedoeld is, slaat soms om in schmierendheid, waardoor de vaart en de scherpte verminderen. De recensent merkt ook op dat Storms methodiek zich uitstekend leent voor een stijl- of stijloefening, maar dat die oefening de lezer juist naar meer verlangt — naar grotere ernst of een diepere penetratie van menselijke ervaring dan de klucht en parodie bieden.
Eindoordeel: een geslaagde, geestige en onderhoudende roman die technisch indruk maakt, maar die bij tijd en wijle te veel tevreden lijkt met zijn ironische spelletjes. De lezer blijft achter met de wens dat Storm zijn verteltonen zou aanwenden voor minder kluchtige, meer oprechte diepgang — al kan het ook de bedoeling zijn dat net dat verlangen naar oprechtheid opgeroepen wordt.