Maakbaarheid van een schaakkampioen: ontdek en begeleid ze jong, maar hoe jong?
In dit artikel:
De Nederlandse schaakbond bereidt zich actief voor op het mogelijk opduiken van een wereldkampioen-talent in eigen land, maar loopt daarbij tegen een ethisch dilemma aan. Met het Tata Steel-toernooi in Wijk aan Zee dat zaterdag begint, is zichtbaar hoe snel de top verjongt: recent speelden de 14-jarige Turk Yagiz Kaan Erdogmus en de 12-jarige Argentijn Faustino Oro in de hoofdgroep, en de gemiddelde leeftijd in dat veld is met 23 jaar de laagste ooit.
Technisch directeur Jeroen Bosch zegt dat Nederland organisatorisch goed ingericht is om talent te ontdekken — clubs en toernooien fungeren als kweekvijver — en dat de bond zelfs al een veelbelovend Nederlands talent heeft gespot. De naam wordt echter bewust niet vrijgegeven om de druk en verplichtingen die bij vroege stappen richting het profcircuit horen te vermijden. In veel landen worden jonge toppers volledig vrijgemaakt voor schaken: minder regulier onderwijs, veel reizen en intensieve begeleiding met persoonlijke coaches en sponsors. De bond vindt dat in Nederland maatschappelijk onwenselijk en vraagt zich af hoe ver je ethisch kunt gaan met jeugdspelers.
Een belangrijke oorzaak van de verjonging is digitalisering: schaakkennis en analyses met schaakcomputers zijn tegenwoordig overal online beschikbaar, waardoor kinderen veel sneller opklimmen. Daardoor missen laat startende tieners cruciale trainingsjaren, en topjongeren krijgen steeds vaker persoonlijke trainers en sponsors. De bond erkent dat zij in een beperkte mate kan bijspringen — lokale clubtrainingen zijn geschikt voor jongere kinderen, en via online begeleiding kan veel worden bereikt zonder kinderen uit hun thuissituatie te halen — maar vreest tegelijk dat zo’n benadering in vergelijking met landen als China en India een achterstand kan betekenen.
Kortom: Nederland wil jonge schaaktalenten opsporen en stimuleren, maar zoekt een balans tussen prestatiegericht ontwikkelen en het beschermen van kinderen tegen vroege professionalisering, terwijl het wereldwijde digitale tijdperk de druk om vroeg te specialiseren verder vergroot.