Maak de openbare ruimte met lef, zoals kinderen spelen | opinie
In dit artikel:
Anna Viola Epping, onderzoeker bij het lectoraat Gezonde Stad (Hanzehogeschool) en architect, pleit ervoor dat straten en pleinen uitdagender en speels ingericht worden voor kinderen. Ze wijst op recent onderzoek van Jantje Beton waaruit blijkt dat kinderen gemiddeld nog geen acht uur per week buiten spelen (inclusief schooltijd en BSO) en dat meer dan de helft graag vaker buiten zou spelen maar belemmeringen ervaart, zoals het ontbreken van andere spelende kinderen en onaantrekkelijke speelplekken.
Epping beschrijft praktijkvoorbeelden uit Groningen. In de wijk Beijum, ontworpen in de jaren ’70/’80 met meer dan negentig speelplekken, blijkt kwantiteit niet automatisch kwaliteit: veel plekken bestaan uit traditionele toestellen (wipkip, glijbaan) die oudere basisschoolkinderen te weinig uitdaging bieden. Jongere kinderen zoeken juist klim-, spring- en waterervaringen en spelen graag met natuurlijke materialen of elementen zoals touwen en losse takken. Studenten van de Hanze en het Alfa-college werken daar samen met lokale bewoners, GGD, WIJ Groningen en de gemeente aan verbeteringen.
In de Korrewegwijk wordt de Floresstraat heringericht en krijgt het gebied rond de Floresvijver een nieuw pad naar een grote speeltuin; langs dat pad komen gekleurde paaltjes die buurtkinderen zelf mogen schilderen en die als speelaanleidingen dienen. Op het recent opgeleverde pleintje aan de Javalaan zijn groen, zitplekken, een kleine pannakooi en een wadi met stapstenen toegevoegd. Hoewel volwassenen het plein aantrekkelijker vinden, missen sommigen de ruime pannakooi voor voetbal en fietsen; kinderen zelf geven aan dat het nieuwe ontwerp minder speelruimte biedt dan gewenst. Bij het speelveld naast de Sint Franciscusschool bleek hoe waardevol lege grasvelden zijn: bewoners en kinderen gebruiken die open ruimte voor voetbal, picknicks en vrij spel en willen dat die leegte behouden blijft.
Epping stelt dat bij herinrichting van compacte stadspleinen vaak te veel multifunctioneel op papier bedacht wordt, terwijl de praktijk andere behoeftes toont. Ze benadrukt drie principes voor ontwerpen: ruimte maken (nieuwe plekken scheppen), ruimte laten (leegte en keuzevrijheid behouden) en ruimte zien (de hele stad als potentiële speeltuin beschouwen). Belangrijk is het kindperspectief: ontwerpen moeten uitdagend en grensverleggend zijn, rekening houdend met hoe kinderen echt spelen — klimmen, springen, modder, water en improvisatie met alledaagse elementen — in plaats van vasthouden aan traditionele speeltoestellen.
Kortom: betere speelomgevingen vereisen lef in ontwerp, samenwerking met bewoners en aandacht voor zowel kwaliteit als kwantiteit, zodat kinderen meer en gevarieerder buiten kunnen spelen en zich motorisch, cognitief en sociaal beter ontwikkelen.