Lukt het de wereld om eindelijk een vuist te maken tegen de belastingontwijking van multinationals?
In dit artikel:
Meer dan 130 landen spraken in 2021 onder leiding van de Oeso af een wereldwijde minimumbelasting in te voeren. Multinationals met een omzet van minstens 750 miljoen euro zouden voortaan minimaal 15 procent belasting over hun winst moeten betalen. Het doel was belastingontwijking te beperken en overheden extra inkomsten te geven voor onder meer de gevolgen van de coronapandemie en klimaatbeleid.
De regeling kwam voort uit de toenemende wereldwijde belastingconcurrentie. Multinationals verdelen hun productie, onderzoek, hoofdkantoren en intellectueel eigendom over verschillende landen en kunnen winsten daardoor doorsluizen naar landen met zeer lage tarieven. Sommige staten heffen helemaal geen winstbelasting. Ook Nederland trok jarenlang bedrijven aan met lage tarieven, belastingverdragen en speciale regelingen en groeide uit tot een belangrijk doorsluisland. Volgens Tax Justice liep de wereld in 2021 hierdoor bijna 350 miljard dollar aan belastinginkomsten mis.
De minimumbelasting moest voorkomen dat landen elkaar blijven onderbieden. Als een multinational in een land minder dan 15 procent belasting betaalt, mag dat land eerst bijheffen. Gebeurt dat niet, dan kunnen het land van het hoofdkantoor of andere landen waar het concern actief is de resterende belasting opeisen. Volgens voormalig Oeso-topman Pascal Saint-Amant is niet nodig dat ieder land meedoet: voldoende deelnemende landen zouden ervoor zorgen dat bedrijven hun winsten nergens meer structureel onder de afgesproken grens kunnen laten belasten. De Oeso schatte eerder dat dit wereldwijd tot ongeveer 150 à 190 miljard euro extra inkomsten kan opleveren.
Nederland zette de regels, na Europese wetgeving uit 2022, als een van de eerste landen om in nationale wetgeving. De verwachte Nederlandse opbrengst daalde daarbij van 800 miljoen euro naar ongeveer 466 miljoen euro. Daar ging bovendien circa 120 miljoen euro vanaf door een uitzonderingspositie voor Amerikaanse bedrijven.
De Verenigde Staten steunden het plan aanvankelijk onder president Joe Biden, maar konden het niet tijdig in nationale wetgeving omzetten. Een cruciale Democratische senator verzette zich, omdat hij Amerikaanse bedrijven niet op achterstand wilde zetten. Onder president Donald Trump keerde de VS zich vervolgens tegen het Oeso-akkoord. Trump dreigde landen met een ‘wraakbelasting’ als zij Amerikaanse ondernemingen extra zouden belasten. Daarom kregen Amerikaanse bedrijven een zogenoemde zij-aan-zij-status: zij zijn tegen sommige vormen van bijheffing beschermd omdat de VS zelf al een minimumbelasting kennen.
Die uitzondering houdt het internationale stelsel voorlopig overeind, maar kan volgens deskundigen ook nieuwe belastingconcurrentie veroorzaken. Amerikaanse bedrijven kunnen door de Amerikaanse regels een voordeel krijgen ten opzichte van concurrenten uit andere landen. Brazilië en Colombia hebben inmiddels eveneens om een uitzonderingspositie gevraagd. Nederlandse belastingadviseurs waarschuwen dat bedrijven anders naar de VS kunnen verhuizen, maar de Nederlandse regering houdt vooralsnog vast aan het bestaande systeem. Landen mogen alleen een vergelijkbare status krijgen als zij aantonen dat hun eigen regels voorkomen dat bedrijven zeer lage tarieven betalen.
Tegelijkertijd bevat het akkoord uitzonderingen voor echte investeringen. Bedrijven die daadwerkelijk fabrieken en andere activiteiten opbouwen, kunnen belastingkortingen krijgen zonder automatisch elders te worden aangeslagen. Ondanks het Amerikaanse verzet en het feit dat landen als China en India de regeling nog niet hebben ingevoerd, verwacht de Oeso dat bedrijven over 2024 tot 100 miljard euro extra belasting verschuldigd zijn. Gemiddeld zou de belastingdruk voor de betrokken multinationals daardoor met één à twee procentpunt stijgen.
Of die bedragen werkelijk worden geïnd, is onzeker. Bedrijven moesten deze zomer voor het eerst formele aangiften en berekeningen indienen. Volgens hoogleraar Maarten de Wilde verschuift de aandacht nu van globale schattingen naar gedetailleerde juridische analyses. Multinationals kunnen aanslagen aanvechten, zeker omdat de ingewikkelde internationale regels op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd en soms botsen met nationale wetgeving. Een overwinning in het ene land kan bovendien leiden tot een nieuwe bijheffing of procedure in een ander land.
Dat kan uitmonden in een wereldwijde juridische strijd waarbij bedrijven, belastingadviseurs en advocaten hoge kosten maken. Ook belastingdiensten moeten afwegen of procederen de verwachte opbrengst waard is. De Nederlandse Belastingdienst heeft een team van ongeveer dertig specialisten, maar veel landen in het mondiale Zuiden beschikken over kleinere en minder goed uitgeruste diensten. Zij kunnen daardoor besluiten extra inkomsten niet na te jagen. Volgens deskundigen dreigt de minimumbelasting zo te ontaarden in een papieren regeling waarbij landen wel formulieren verzamelen, maar nauwelijks bijheffen.
Toch kan de maatregel volgens hoogleraar Arjan Lejour ook in afgezwakte vorm betekenis houden. Europese bedrijven moeten steeds transparanter rapporteren waar zij belasting betalen. Als alles onder de 15 procent voortaan aanleiding geeft tot kritische vragen, wordt het moeilijker om extreem lage effectieve tarieven, zoals de 0,005 procent die Apple ooit in Ierland betaalde, ongemerkt te rechtvaardigen. De wereldwijde minimumbelasting staat daarmee nog altijd onder druk, maar kan ondanks de uitzonderingen, juridische strijd en geopolitieke tegenstand een nieuwe ondergrens voor bedrijfsbelasting vormen.
Vandaag Inside: Valentijn Driessen neemt geen blad voor de mond over radioshow van Johan Derksen