Los van vet aangezette bodyhorror en bloederige scènes mist 'The Mummy: A Lee Cronin Film' echte doodsangst
In dit artikel:
In The Mummy: A Lee Cronin Film verdwijnt als kind Katie tijdens een verblijf in de Egyptische woestijn; acht jaar later wordt ze levend teruggevonden in een oude sarcofaag en in verontrustende staat — verward, nauwelijks sprekend en duidelijk niet meer hetzelfde. Haar Amerikaanse ouders nemen haar toch mee naar huis, waar oma in New Mexico jarenlang verjaardagstaarten klaar heeft gezet voor het kind dat niet thuis kon komen. Wat volgt is een bovennatuurlijke horror over de nasleep van die vondst, niet de avontuurlijke, archeologische soort mummyfilm à la Brendan Fraser.
Regisseur Lee Cronin (Evil Dead Rise) zet vol op bodyhorror en gore, en de film haalt veel van zijn kracht uit het solide acteerwerk van Jack Reynor. Tegelijk ondermijnt overdadig, schreeuwerig sounddesign de spanning: schrikeffecten en griezeltrucs voelen voorspelbaar en ritmisch afgehaspeld. Ook terugkerende trope‑elementen — angst voor religieuze voorwerpen, onnatuurlijk zweven en hoekige bewegingen — bezorgen weinig vernieuwing. Af en toe valt er wel zwarte humor — een scène rondom tanden, kunstgebitten en gevuld ei — maar overall blijft het een film die visueel en qua gore overtuigt, terwijl echte, subtiele doodsangst ontbreekt.